HIP-TIME MAGAZINE 138                                            

 KADASTRALE MINUUTKAART EN OORSPRONKELIJKE AANWIJZENDE TAFEL 1832. 

01 Fragment OAT Propstrabuurt 1832

Inderdaad, we komen terug op het perceel A-387 met huis en schuur en zuidelijk gelegen erf, welke veel later in de tijd ook nog een boerenspultsje is geweest. De westelijke grens is het perceel met kad. nr. A-390 (reed, voetpad) en ten zuiden ligt het kad. nr. A-391 (tuin). Logischerwijs valt dit stuk het eerst onder de veranderingsdrang van erven van de eigenaar van de weduwe Albert Kornelis Propstra. Na haar overlijden in 1829 wordt zoon Hendrik Alberts Propstra de man, die de beslissingen blijkt te nemen.  Hij staat in het kadaster ingeschreven onder legger 211 met vermelding van “en mede-eigenaren’. Dat zijn z’n zuster Martjen als oudste (1791) en een tweetal broers (1793 Cornelis, en 1808 Anne). Broer Karst (1805) is dan al overleden op 30 juli 1826. 

De Volkstelling van 1830 geeft ons voor Breedpad huisnummer 264 een bewonersaantal van 14 personen.  Alfabetisch zijn dat het gezin van Gabriël Cornelis Bloemhof, leerlooiersknecht, 31 jaar en geboortig uit Wolvega. Zijn vrouw Antje Jans van der Wal, 30 jaar en geboren in Oudehorne en 4 kinderen: Vroukje, 6 jaar; Jacoba, 4 jaar; Anneke, 2 jaar en Kornelis, 1 jaar, allen geboren in Wolvega. Zij hebben zich hier dus gevestigd kort voor de volkstelling van december 1829. Als tweede gezin staat ingeschreven onze schipper Roelof Hendriks van Rheen, geb. te Alkmaar, en 36 jaar oud, en zijn ega Martje Alberts Propstra, 37 jaar en Heerenveense van geboorte. Hun kinderen zijn Hendrik, 13 jaar; Trientje, 11 jaar; Jan, 5 jaar (alledrie geboren in Nijehaske) en hun 1 maand oud zoontje Albert, die in dit huis is geboren. En wel op 15 december 1829 ! Enig natte vingerwerk is de volkstellers niet vreemd geweest, zo te zien. 

De Personele Omslag van 1830 bevestigt een aanslag voor Roelof van Rheen, maar Gabriël Bloemhof valt buiten de aanslaggrens. Het jaar 1831 is ook Roelof van Reen (welja !) alleen belastingplichtig. Het jaar erop lijkt hij ook buiten die plicht te vallen. Mogelijk dat het huren van het schip, genaamd “de Twee Gebroeders” (95 ton) van de broers Cats, werfbazen op de Heerenwal voor fl.240,- per jaar hem buiten de Personele Omslag heeft gehouden. Bloemhof woont dan inmiddels alweer in Wolvega, waar op 7 maart 1831 dochter Jantje wordt geboren.

Van 1833 tot en met 1836 wordt geen belasting geheven van eventuele bewoners van Breedpad 264. Van Rheen woont in 1834 en 1835 op het adres Breedpad 224 (in het Propstra-huis op het eerste Breedpad naast de herberg op de hoek van de Dracht). En in 1836 is hij wonend op huisno. 162 aan het eind van de Dracht. 

Op deze minuutkaart staat voor het zuidelijke deel van het gebied tussen Molenwijk en scheid-sloot (A-390 en A-391) met het terrein van het Grote Huys (A-392 tot en met A-397) als gebruiksbestemming: ‘reed als weiland’ (A-390) en ‘moestuin’ (A-391).

Het eigendom van A-390, groot 6.70 are heeft berust bij de wed. Albert Propstra, die van haar meisjesnaam Trijntje Hendriks heet. Haar man is overleden op 15 februari 1825 op 60 jarige leeftijd en wordt - in de Personele Omslag van een aantal jaren - als meester-bakker gekwalificeerd, soms zelf samen met het beroep ‘tapper’. Zij wonen zeker vanaf 1806 in het pand, welke in 1809 als huisnummer 224 krijgt toegewezen. Dat is in het eerste huis van het Breedpad naast het logement of herberg ‘s Lands Welvaren’ op de noord-westelijke hoek van de Dracht. In dit huis blaast niet alleen Albert Kornelis Propstra in 1825 zijn laatste adem uit, maar op 20 augustus 1829 ook zijn vrouw Trijntje Hendriks op 64 jarige leeftijd. Op dat ogenblik leven er nog vier kinderen. In beide gevallen is herbergier van ‘s Lands Welvaren Tjitte Foekes Hoekstra één van de aangevers.

 Het echtpaar Propstra is het als bakkersechtpaar economisch in ieder geval zo goed gegaan, dat ze onder andere hebben kunnen investeren in onroerend goed. Het huis nr. 224 hebben ze verworven in 1806 door aankoop van (Johan Balthasar) Christiaan Rumph. Maar ook op het tweede deel van het Breedpad over het ‘Semlerbruggie’ wisten ze de hand op onroerend goed te leggen. 

TESTAMENTAIR ERFRECHT

De afwikkeling van erfenis van de ouders Hendrik en Trijntje Propstra is - met enige kadastrale vertraging - terug te vinden in de Suppletoire Aanwijzende Tafel. In de periode 1832-1835 wordt dan als eigenaar beschouwd Hendrik Alberts Propstra, samen met zijn zuster Martje en twee broers Cornelis en Anne - als mede-eigenaren. Het boerenspultsje van weleer (A-387) met een grootte van 10.20 are wordt nog ‘vóór 1840’ onderwerp van een z.g. ‘splitsing’. Het perceel A-387 wordt opgedeeld in twee nieuwe kadastrale nummers, te weten: A-755 van 7.70 are en A-756 van 2.50 are.  De eerste krijgt als omschrijving: “huis, schuur en erf”, en de tweede ontvangt als  omschrijving “timmerschuur en erf”. Daarvan moet nog even worden vermeld, dat er vóór 1844 vrijdom van belasting is toegekend tot 1846 wegens de ‘stichting’ van de timmerschuur, terwijl deze via ‘expiratie’ ook al weer vóór 1847 uit de belastingvrijdom wordt teruggetrokken. Betekent dit, dat er onvoldoende gronden zijn geweest om van de vrijdomperiode te kunnen profiteren ?

Wie zijn timmerkundigheden daar gaat uitoefenen is niet duidelijk. De Personele Omslag van de begin dertiger jaren geeft ons daarover geen uitsluitsel. Zou de nieuwe gebruiker beneden de grens van de aanslag zitten ? 

Liggen er nu ook in de Staten van de Loop der Bevolking over de jaren 1836 tot en met 1844 aanknopingspunten voor het vaststellen van gebruikers, huurders, pachters ?  Die zijn er inderdaad, want vanaf 1836 tot en met 1840 staat de persoon van Cornelis/Kornelis Gooijes Boonstra als arbeider geregisteerd. In de Staten van de Loop der Bevolking slechts als hoofdbewoner, maar in de Volkstelling van 1840 met zijn gezin.  Zijn echtgenote is de in Leeuwarden geboren Fenna Migchiels Kraus. Zij is dan 44 jaar oud, net als Cornelis Boonstra zelf. Hun kinderen zijn op dat ogenblik Froukje, 10 jaar; Gooije, 7 jaar; Elizabeth, 5 jaar; en Migchiel, 1 jaar. Er is op 1 december 1836 ook nog een dochter Sijke geboren, die op 8 januari 1837 al weer overleed. In haar overlijdensakte staat ‘in het huis gekwoteerd met nommer 263’. Vraagje: hoe betrouwbaar zijn deze bronnen ? Eigenlijk zou er nog een dochter bij hebben kunnen staan, want via de bestanden van it Tresoar vinden we in 1853 een akte nr. 98 in Leeuwarden, waarbij Kornelis en Fenna alsnog hun dochter Hendrika Jonkschap als voorhuwelijkse dochter erkennen. Zij is te Heerenveen geboren op 1 februari 1827, terwijl het huwelijk tussen Cornelis en Fenna pas werd voltrokken op 15 juni 1828. Hun voordochter staat op het punt van trouwen en heeft deze wettigingspapieren nodig door op grond van art. 329 van het Burgerlijk Wetboek een ootmoedig verzoek te doen op Willem III, bij de gratie Gods Koning der Nederlanden, enz. enz. tot wettiging van haar geboorte. In 1754 trouwt ze in Leeuwarden met Johannes Visser. In de Heerenveense Volkstelling van 1840 hebben we haar stellig ook gevonden onder de naam ‘Hendrika Boonstra, 12 jaar oud, geboren te Heerenveen (?)’, en als dienstmeid van de regter Christiaan Sophias Boelens op het adresnr. 219 aan de westkant van de Dracht. 

Naast het gezin van Cornelis Gooijes Boonstra op 264 treffen we ook onder huisno. 264(a) nog een bewoner aan. Van 1836 tot en met 1838 staat daar vermeld in de Staten van de Loop der Bevolking de weduwe Jan van der Wal. Ook staat onder huisnummer 264 in 1841 geregistreerd de weduwe Vrouwkje van der Heide. Verdere antecedenten onbekend. Over haar is verder nog niets gevonden. Dan staat er in het jaar 1840 onder nummer 265 als bewoonster Froukje Hotzes Keimpema. Van deze dame vinden we haar overlijden op 1 augustus 1844 en uit die acte blijkt, dat zij de weduwe is van Jan Willems van der Wal. Er is dus sprake van enige huisnummerslordigheden, want in de jaren 1836 tot en met 1838 staat de weduwe Jan van der Wal onder nr. 264 (a). De mist over de persoon van de weduwe Vrouwkje van der Heide hebben we niet kunnen laten optrekken. Ze is in ieder geval niet aan te tonen als een hertrouwde Froukje Hotzes Keimpema. Overigens is deze laatstgenoemde ook in de Volkstelling van 1830 reeds als bewoonster gemeld op huisnummer 264 en eveneens als weduwe, 56 jaar oud en van beroep arbeidster. 

Gedurende het jaar 1841 staat ingeschreven zekere Fokke Hendriks Groen onder huisnummer 264. Dat zal toch niet de herbergier zijn van ‘s Lands Welvaren ? Deze staat namelijk in de Volkstelling van 1840 keurig vermeld samen met zijn gezin op huisnummer 223 aan het begin van de westkant van de Dracht. We gaan nog eens kijken in de Staten van de Loop der Bevolking en daarin blijkt hij van 1836 tot en met 1840 inderdaad als herbergier van no. 223 te staan. Hij is daarmee begonnen in 1836 na eerder als kleermaker te hebben gewerkt. Vermoedelijk heeft hij een vierjarig pachtcontract afgesloten. In 1842 doet zich de kans voor om Jacob de Looze op te volgen als kastelein, herbergier of logementhouder in het horecapand op de hoek van Achter de Kerk met de Vleesmarkt.

In een eerdere tijd voert dit etablissement de naam “Koophandel en Zeevaart”, later krijgt het de naam “De Drie Gemeenten” en wij kennen het als “De Bieb” (Eten en drinken enzo).

Fokke Hendriks Groen wordt daarvan in 1841 eigenaar door het te kopen van bakker Tjepke Taconis op de Vleesmarkt. Dan heeft het kadasternummer A-7 en is het met huis en erf 1.80 are groot. Van 1843 tot en met 1845 exploiteert Fokke Hendriks Groen in zijn kwaliteit van kastelein en verkoopt het vervolgens aan Jan Sanders Postma. 

02 Fragment Netteplan 1887

Terug nu naar de Propstrabuurt om te zien hoe het kadaster zich door de verschillende ingrepen manipuleert. Nog voor 1845 levert leggereigenaar Hendrik Alberts Propstra (211.6) daarvoor de ingrediënten. Voor het kadastrale perceel A-755 staat er opnieuw een ‘splitsing voor 1845’ op stapel. De 7.70 are van ‘huis, schuur, en erf’ wordt volledig anders ingedeeld en wel in vijf nieuwe percelen, die daardoor ook weer een nieuw kadastraal nummer krijgen toegekend. Omdat ze gelijktijdig worden vastgelegd zijn dat achtereenvolgens in de leggerregels 211.7 tot en met 211.11 de kadastrale aanduidingen: A-806 (huis, erf; 0.84 are); A-807 (bergplaats, 1.00 are); A-808 (huis; 0.26 are); A-809 (huis; 0.38 are); A-810 (tuin; 5.82 are).

Hoewel we in de beschrijving daaraan nog niet toe zijn, laten we U alvast wel kennismaken met het Netteplan 1887 en daarvan het meeste noordelijke gebied van de ‘Propstrabuurt’. (Pater familias Hendrik Alberts Propstra is dan al in 1872 overleden en zoon Albert neemt de honneurs namens de familieleden waar!) U herkent op deze kaart in ieder geval drie van de vijf genoemde kadastrale nummers. Zonder daarvoor  direct de tussenstappen te beschrijven, blijkt het nummer A-806 te zijn verdeeld in het tweetal percelen A-998 en A-999. Deze twee vormen het bezit van apotheker Pierre Peaux, welke in 1861 een herbouw heeft gepleegd en deze twee nummers toegekend heeft gekregen. 

Spijtig genoeg kunnen we geen kaart tonen tussen de kadastrale minuutkaart van 1832 en het Netteplan van 1887. Dat zou de tussenliggende verandering natuurlijk veel beter illustreren. Wel komt er nu een nieuw element in de overigens begrijpelijke beschrijvingen, n.l. ‘uitgifte in erfpacht’. Voor het kadastrale nummer A-1726 is dat het dienstjaar 1882.

Voor een nieuw begrip geven we U even een definitie van het erfpachtrecht. Dat is een beperkt zakelijk recht om het volle genot te hebben van een aan een ander (in ons geval Albert Hendriks Propstra) toebehorend stuk grond. De erfpachter heeft min of meer dezelfde rechten als een eigenaar zolang de erfpacht duurt, maar mag niets doen wat de waarde van de grond kan verminderen. De erfpachter betaalt daarvoor een erfpachtbedrag (canon genoemd).  Die erfpachter is Geertje Propstra, die gehuwd is met tabaksfabrikant Johannes Hendrikus Taconis. Zij is een dochter van Albert Hendriks Propstra en dus kleindochter van Hendrik Alberts Propstra.

Het kadastrale nummer A-1726 (tuin met een grootte van 6.50 are) is stapsgewijs in het dienstjaar 1882 ontstaan uit de twee eerdere kadastrale nummers A-1229 (huis en erf, 7.20 are) en A-1230 (werkplaats, 0.82 are) en behoort toch nog steeds tot het bezit van Hendrik Alberts Propstra.

Deze twee in het dienstjaar 1871 ontstane situaties hebben ook weer voorlopers gehad in  kadasternummer A-810 (tuin, 5.22 are) en het in 1866 toegekende kadastrale nummer A-1149 voor een op dat perceel gebouwd ‘huis met erf’ met ook de grootte van 5.22 are. Samen met die ‘timmerschuur met erf van 2.50 are’ van kadastraal nummer A-756 (sinds 1840) lijkt het een cryptische onroerend goedtransactie, die heeft geleid tot A-1726. De tabaksfabrikant zal er zijn tabaksopslag hebben gehad, mogelijk zelfs tabakskerverswerkzaamheden hebben laten verrichten.

 Eerste erfpachter van de Propstrabuurt

Over het eigendom van A-391, groot 14.00 are (zie Minuutkaart 1832), kunnen we melden, dat notaris Jelle Petrus Jacobus Greydanus op 11 april 1818 een repertoire van een minuutakte opmaakt onder nr. 059020. Het betreft een tuin, welke wordt verpacht aan Johann Christiaan Mann, chirurgijn te Heerenveen. Verpachter is koopman Frederik Semler, die dit vastgoed verpacht voor een pachtsom van fl.2,- per jaar. Later is de status van Johann Christiaan Mann in de kadastrale notatie van 1832 - hoewel niet te vinden in het notariaat - veranderd van ‘pachter’ van de tuin naar ‘eigenaar’ van de tuin. De omschrijving in de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel is onmiskenbaar vastgelegd in leggernr. 159 regel 2 als “moestuin”. Vervolgens wordt verwezen naar de Suppletoire Aanwijzende Tafel nr. 126, waar in het dienstjaar 1856 twee nieuwe kadastrale nummers worden toegekend A-914 en A-915.

Johann Christiaan Mann, chirurgijn, wonend in A-389, verkoopt zijn tuin onder A-391 nog voor 1837 aan bakker Roelof Wiebes Offringa te Nijehaske. Mann verdwijnt uit Heerenveen om samen met zijn zoon een chirurgijnspraktijk te openen in Workum. De acte van notaris Peeting van 2 november 1839 bestemt het huis onder A-389 voor Mr. Ulbe Arend Evertsz, terwijl de grote tuin met vruchtbomen onder A-391 wordt gekocht door Hendrik Alberts Propstra voor fl.451,-.

H.A. Propstra komt kort voor 1856 op het perceel een ‘regt van opstal’ overeen met koopman Bernard Sievers, welke daarvoor door het kadaster nummer A-915 krijgt toegekend in het dienstjaar 1854 (dus voor 1856).

03 Bernhard Sievers

Sievers maakt gebruik van zijn recht om daarop een ‘bergplaats met erf’ van 2.40 are te stichten, zodat de oorspronkelijke 14.00 are van de tuin wordt teruggebracht tot 11.60 are. Daarvoor geniet hij vrijdom van belasting tot het dienstjaar 1862, waarna de belasting gebouwde waarde wordt vastgesteld op fl.36,-. Overigens wordt voor dit perceel wel een geheel nieuwe leggerpagina bestemd onder legger 644. Met het overlijden van Hendrik Alberts Propstra op 19 oktober 1872 komt een boedelscheiding tot stand, waarvoor de notaris enige tijd nodig heeft. Daarvoor wordt tevens een nieuwe legger ingericht met nummer 900. Tevens wordt de omschrijving ‘bergplaats’ gewijzigd in ‘pakhuis’ en wordt de boedelscheiding in dj. 1875 voltooid, waarna opnieuw voor de nieuwe eigenaar Albert Hendriks Propstra legger 973 wordt beschikbaar gesteld voor de actuele omschrijving “A-915; pakhuis en erf, 2.40 are, gebouwde waarde fl.36-’ en erfpachter Bernhard Sievers, koopman te Heerenveen. 

Portret Bernhard Sievers, 1812-1881(Kerkelijk Archief nr. 2878), die alle kerkelijke rangen van ambtsdragers heeft bekleed (diaken, ouderling, kerkvoogd en notabele). 

 Kennelijk is er enige twijfel geweest over de juiste grootte van het perceel, want in het dienstjaar 1882 wordt een ‘redres abus. meting’ toegepast, die het gevolg heeft, dat eigenaar Albert Propstra na de ‘hermeting’ het perceel op 2.60 are gewaardeerd ziet en hij daarvoor een nieuwe legger 1107 krijgt toegewezen . De notatie luidt dan: ”Legger 1107.1: eig. Albert Propstra, koopman, Heerenveen, erfpachter Bernard Sievers; Heerenveen A-1733; schuur, erf; 2.60 are; gebouwd fl.25,-; dj. 1891 vereenigd; uit 880.13 en 973.1; zie 1107.2”. Dat houdt in dat hem vanuit het perceel A-1646 (beschreven als voetpad & weiland 20 ca aan zijn bezit mag toevoegen. Eerder behoorde dat tot het perceel A-1228. Op de kaart van het Netteplan uit het jaar 1887 kunt U zien, dat A-1733 het meest zuidelijke perceel van de Propstrabuurt is, grenzend aan de dwarsgracht van de Molenwijk naar het westen.

Het erfpachtperceel, waarmee Bernhard Sievers in 1891 een ‘vereniging’ beleefde met een klein zuidelijk gedeelte (0.06 are) van de singel (= reed) van kad. perceel A-1734, bereikt dan onder nieuw kadasternummer A-2070 een grootte van 2.69 are met daarop nog steeds dezelfde schuuur. De verandering in het dienstjaar 1896 is een afscheid van Bernard Sievers erfpachtcontract. De ‘opstal’ (schuur) wordt verkocht en komt dan als eigendom van Albert Hendriks Propstra onder leggernummer 880.27. Of én zo ja, aan wie hij het heeft verhuurd tot de ‘scheiding in het dienstjaar 1907’ in de familie Propstra als gevolg van het overlijden van bovengenoemde Albert Hendriks Propstra op 10 januari 1906, is niet bekend.

Piebe Krediet (1855), bekend lithograaf van o.a. de “Historische Ganzenbrief : Reis door Friesland” (1880) en oud-inwoner van Heerenveen, zoon van de steendrukker Gerrit Krediet, vereert Heerenveen in september 1932 na jaren weer eens met een nostalgische wandeling en vertelt in een ingezonden stuk in de Hepkemakrant van zijn ervaringen. Onder andere vertelt hij, dat hij door het steegje lopend bij Popma (Bakkerssteeg) practisch uitkomt bij het gebouw (eerder behorend bij de leerlooierij van Van der Sluis) waar de familie haar steendrukkerij runde. Het staat op de hoek van de Molenwijk met haar naar het westen lopende zijsloot. Vanuit zijn positie ziet hij weer het steenkoolpakhuis van de heer Sievers en de molenmakerij van Murk Visser nog staan. Hoewel er op de voormalige steendrukkerij een bordje ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ hangt, constateert hij dat de achterkant nog intact is. 

Tweede erfpachter van de Propstrabuurt en zijn opvolger. 

Een tweede stuk grond wordt in de categorie ‘reden van verandering’ geregistreerd als “splitsing vóór 1870” en eveneens voortkomend uit het kadastrale perceel A-390. Het is de westelijke strook, die wordt aangeduid met ‘reed als weiland’ en een totale grootte van 6.70 are.  De reed (ook wel voetpad genoemd) moet worden verdeeld over zes verschillende percelen. Daarvan gaat een deel naar twee percelen, die net als de andere vier op naam staan van eigenaar Hendrik Alberts Propstra. De door ons te volgen ontwikkeling wordt beschreven onder legger regel 865.1, waarop Murk Goyes Visser, molenmaker te Heerenveen, het recht van erfpacht is overeengekomen. Door die splitsing én het daardoor ontstaan van nieuwe percelen wordt een ‘werkplaats met erf’ en een grootte van 0.90 are gesticht, welke onder het kadastrale nummer ‘Bredepad A-1232’ vrijdom geniet tot 1876. Een ander gedeelte met een grootte van 3.40 are houdt zijn bestemming “tuin” met een zelfde vrijdomsperiode en het toegekende kadastrale nummer A-1233.

Molenmaker Murk Gooijes Visser - in zijn geboorteacte aangegeven door zijn vader Goye Jelmers Visser, 42 jarige timmerman te Haskerdijken, sticht met de voornamen ‘Murk Jelmers’ daarmee over een lange periode enige verwarring. Hij is overigens geboren op 4 maart 1836. Moeder is Akke Murks Lieuwes en 44 jaar oud.  Murk Jelmers (Goyesz.) Visser trouwt op 26 oktober 1876 dus op 40 jarige leeftijd - is inmiddels molenmaker - met 44 jarige Marchje Uri, geboren in Appelscha. Enkele jaren daarvoor heeft hij bij notaris Arjen Binnerts via een akte van oprichting een naamloze vennootschap laten registreren. Op 20 januari 1870 zijn Wiebe Klazes de Jong, eveneens molenmaker, en hij het eens over de oprichting van een grofsmederij. Dat wordt de “firma de Jong en Visser” (Repertoire Tresoar 056070). De afkondiging daarvan in de Ned. Staatscourant blijkt voor onbepaalde tijd en zal pas eindigen als een vennoot dat minstens drie maanden van te voren aan de ander laat weten. Maar in geen geval niet eerder dan 12 februari 1872. Als een vennoot overeenkomsten voor meer dan fl.300,- wil regelen (b.v. geldopnemen, borgtochten afgeven, e.d.) is de medewerking van beide vennoten vereist. Aan deze samenwerking komt een einde door de ontbinding volgens de akte van 19 oktober 1889 van notaris H.J.W. Terlet te Joure. Wiebe Klazes de Jong zal de zaken voor eigen rekening voortzetten.

Murk en Marchje hebben besloten te gaan wonen in Heerenveen en het oog valt op een huis aan het Achterom onder Aengwirden. Zij staan ingeschreven in het Bevolkingsregister van Heerenveen (AEN) 1872-1880 op blad 58, maar daar staat geen huisnummer bij vermeld. Aannemend dat zij niet zijn verhuisd worden daar hun drie zoons geboren in 1877 (Jelmer), 1881 (Gooye) en 1883 (Piet). Bij de start van de bevolkingsperiode 1880-1890 blijkt het huis te zijn genummerd met nr. 60 en ligt achter en ten oosten van het latere pand ‘Paul Kruger. In de periode 1890-1920 wordt nog twee keer een nieuw nummer aangetroffen, resp. nr. 61 en nr. 73.  Met zoon Jelmer hebben de ouders (maar ook de Heerenveense gemeenschap het bijzonder getroffen. Hij wordt door zijn vader opgeleid voor ‘molenmaker’, maar ontwikkelt zich ook in de architectuur en de aannemerij, en gaat zelfs een rol spelen in de ,makelaardij’.  

04 J.M

Bovendien bekwaamt hij zich in de ‘photographie’. Dat mag o.a. blijken uit de naaststaande afdruk van een glasplaat (positief, 8.4 bij 8.4 cm) van het molenmakersterrein aan de Gedempte Molenwijk, dus A-1732. De molenwiek en de schroefvijzel spreken voor zichzelf. Een klein detail zou U nog kunnen ontgaan: de ooievaarsnest op een paal in de tuin van het “Grote Huis”.

Een uniek beeld uit de collectie Altena-Visser in het Museum Heerenveen!!! 

Conclusie van een en ander is dus dat de firma de Jong en Visser in het erfpachtperceel in de Propstrabuurt een werkplaats op een royaal terrein kunnen gebruiken voor de molenmakerswerkzaamheden. Daarvan is uiteraard een onderdeel ‘grofsmederij-aktiviteit’, een specialisme van Wybe Klazes de Jong. Uit een artikel in de Heerenveense Courant van 1969 ontlenen we een citaat uit het artikel met een foto van ‘Kachel-Magazijn en J. de Jong, Smederij, Dracht 73-75’. Dat artikel met de titel “De hoefsmid speelde vroeger een belangrijke rol in de provincie. Thans een uitstervend beroep." Citaat: .....“In 1869 nam molenmaker en smid (hoef-en kachelsmid Wiebe Klazes de Jong het bedrijf over. In 1894 volgde zoon Jan de Jong hem op.” .....

05 Fragment Propstra zuid 1887

Een minuutakte, d.d. 27 december 1870, bevestigt, dat  Wiebe Klazes de Jong, grofsmid te Heerenveen, een huis met erf, c.a. , met kadasternummer A-232, groot 1.70 are, koopt voor een bedrag van fl.2230,-. (Notariaat A. Binnerts, repertoirenr. 316)

Uit het verdere verloop van de kadastrale ‘stamboom’ blijkt, dat in het dienstjaar 1882 nog een redresmeting is uitgevoerd op de percelen A-1232 en A-1233. Daarbij is vastgesteld, dat de grootten samen niet 3.40 + 0.90 are zijn, maar samen worden bepaald op 5.45 are. De oorzaak daarvan hebben we niet kunnen achterhalen. Uiteraard wordt op dat ogenblik ook weer een nieuw kadasternummer toegekend en daarvoor het nummer A-1732 gereserveerd. 

Dit nummer A-1732 rechtvaardigt een kaartje van het Netteplan 1887. En dan met name het zuidelijke deel. 

In het dienstjaar 1906 (1 januari) komt een einde aan de erfpachtovereenkomst door de ‘verkoop’ van A-1732 met schuur (werkplaats) en erf. De erven Hendrik Alberts Propstra c.s. dragen dit eigendom over aan Geertje Alberts Propstra, de echtgenote van Johannes Hendriks Taconis en haar kinderen Albert IJme, Simon Hendrik en Thalea Gebina Taconis. Haar man wordt vruchtgebruiker. Hij zorgt ervoor, dat het perceel A-1732 opnieuw een interessante toekomst tegemoet gaat met leggerregel 1701.7 als nieuwe bestemming: in het “dienstjaar 1909 “ een “uitgifte in erfpacht”. Aan wie dan wel ............?  Er wordt verwezen naar de kadastrale legger 1779, regel 1,  op naam van (wrijf uw ogen even goed uit .....) eig. Geertje Propstra, echtgenote van Joh. H. Taconis, Oudeschoot (Blauhûs) en kinderen. Daar lezen we een niet te volgen staaltje van kadastrale logica. De oplossing zal zijn een studie in de kadastrale wetenschap !!!!! Aanbevolen. Mogen we aannemen, dat de nieuwe erfpachter ‘Johannes Hendrikus Taconis’ is geweest?

Tien jaren later is het nog steeds A-1732 met een grootte van 5.45 are voor werkplaats en erf. De verandering wordt dan geïntroduceerd als “dj. 1919 verv.(allen) van erfpacht”. Opnieuw een 5-tal jaren daarna wordt in het “dj. 1924 ged. vernieuwing” gepleegd. De omschrijving gaat nu luiden: “Kantoor, werkplaats en erf” voor de Taconis-zaken. Aan alles komt een einde. De tijd is rijp voor een rigoureuze verandering in het dienstjaar 1934: “”Slooping” en de nieuwe omschrijving  van 5.45 are luidt vervolgens: “opslagplaats”. Het afscheid van A-1732 wordt in het dienstjaar 1940 geregistreerd in de vorm van de kadastrale term ‘Vereeniging”. De 5.45 are wordt samengevoegd met A-2070 de ‘schuur en erf’  ter grootte van 2.69 are van legger 1701.10 !!! Van 5.45 are groeit er een nieuw perceel  in 1940 tot eentje van 8.14 are aan het Achterom of aan de inmiddels Gedempte Molenwijk met als kadasternummer A-3642 en de prozaïsche omschrijving: “erf” !!! 

Een eerste transactie in de bezette tijd vindt plaats in het dienstjaar 1943. De verkoop van het perceel aan het Achterom A-3098 (het middelste deel van de Propstrasingel)  is een opvallende, want er komen twee nieuwe eigenaren in beeld. Verkoopster Geertje Propstra, haar kinderen en haar echtgenoot J.H. Taconis dragen dit perceel met een grootte van 1.27 are en de bestemming ‘weg’ over aan Johannes Broersma, expediteur en consort de grossier Cornelis Brouwer, die in het volgende dienstjaar allebei een perceel ‘erf’ in  dit Propstra-gebied willen kopen.  Dankzij Johannes Broersma, die als transportondernemer ruimte nodig is voor de stalling van vrachtauto’s , claimt hij van de beschikbare 8.14 are ‘erf’  slechts 4.37 are (A-3570). Het andere gedeelte van dat grote erf is in dienstjaar 1944 gekocht door Cornelis Brouwer, die een grossiersbedrijf heeft te exploiteren (A-3571). Hij krijgt de beschikking over een erf van 4.39 are, maar het wordt nergens uit duidelijk met welke bedoelingen hij deze grond wil exploiteren. Mogelijk alleen uit financiële beleggingsoverwegingen ? Want er wordt niet op gebouwd. Uit de schaarse berichtgeving uit de jaren veertig komt naar voren, dat Cornelis Brouwer zich heeft toegelegd op koloniale waren en de oorlogsomstandigheden maken, dat hij zich destijds voornamelijk bezighoudt met ‘toewijzingsproblemen’ in het kader van de distributie, o.a. jam, kandij, basterdsuiker, spijsolie, huishoudzeep. Dat moet dan gedaan zijn vanuit het adres Rottumerweg 8, waar Brouwer zijn grossierderij in koloniale waren heeft gehad. Na de oorlog in 1948 meldt hij in een advertentie dat de Kerkstraat 15 het adres is voor zijn grossiersbedrijf. De woningkaart kent spijtig genoeg Cornelis Brouwer niet als bewoner van de Kerkstraat 15. Dit pand is tot het overlijden van Joost de Vries op 18 mei 1940 door wijnhandelaar Joost de Vries zelf gebruikt en bewoond, samen met zijn echtgenote Eibertje Holtrop, die daar tot 4 oktober 1963 nog heeft gewoond. Cornelis Brouwer staat zelfs in 1960 nog in het adresboek op de Rottumerweg 8.

Net als Johannes Broersma verkoopt ook Cornelis Brouwer in 1949 het perceel aan de Gedempte Molenwijk aan de N.V. Automobielbedrijf Jager en Wierda. Bovendien gaat ook het gezamelijk door hen gekochte perceel A-3098 over naar de N.V. (Daarop komen we in een volgende aflevering ongetwijfeld terug.) 

Het derde erfpachtperceel van de Propstrabuurt: Andries Johannes de Jong, slager.

Voor het moment dat het kadasternummer A-1731 op het Netteplan van 1887 een zichtbare plaats innam en in de bijbehorende eigenaarslegger z’n omschrijving heeft gekregen (te weten: slagthuis en erf, 1.20 are) moet worden vermeld, dat het nummer A-1731 al door het kadaster is toegekend in dienstjaar 1882.  Het blijkt te zijn samengesteld uit twee eerder in gebruik zijnde perceelnummers. Die beide t.w. A-1716 (een huis van 0.26 are) en A-1717 (een opslagterrein van 5.84 are) zijn toegekend in het dienstjaar 1881. Uit het kadasternummer A-1645, groot 6.10 are, zijn door Albert Hendriks Propstra als eigenaar deze wijzigingen tot stand gebracht.  Inderdaad is daarvan aan A-1731 slechts 1.20 are ten goede gekomen terwijl de rest van de percelen 4.90 are aan legger 880.18 (0.90 are en nog een stukje van een ander perceel 0.43 are) en 1105.1 (4.00 are) zijn toegeschikt.

Als kandidaat voor het gebruik van A-1231 (de tuin waaruit in 1879 A-1645 is voortgekomen) dient zich op 7 februari 1879 aan Antonius Kestens, steenhouwer te Heerenveen. Hij wil hierop graag een vergunning voor de oprichting van een steenhouwerij. In eerste instantie wordt hem dat ‘onder voorwaarden’ verleend, maar na de bezwarenprocedure op 11 februari 1879 besluit het gemeentebestuur op 21 maart 1879 die ‘voorlopige’ toestemming op basis van de voorwaarden alsnog in te trekken. (SCO 369, SCO 1004, no. 416 en 422)

Uiteindelijk krijgt Andries de Jong de beschikking over een ‘slagthuis met erf van 1.20 are).

Ook zijn planning loopt natuurlijk flink vooruit op de latere registratie van het kadaster, want bij het gemeentebestuur van Heerenveen-Schoterland dient hij op 25 october 1879 een verzoek onder no. 517 in voor de oprichting van een ‘slagterij’ voor het kadastrale perceel A-1231. Dat nummer is de voorganger van A-1645, die enkel wordt aangeduid als ‘erf’ en door ‘stichtingsplannen’ een andere bestemming gaat krijgen. Propstra en de Jong komen tot overstemming over een erfpachtcontract. Overigens mag je verwachten, dat een ‘slagterij’ behoort tot de bedrijven, die moeten voldoen aan de hinderwetbepalingen, maar daarvan hebben we in het archiefnummer SCO 369 niets kunnen vinden. Wel vinden we onder de bekendmakingen van B. en W. onder nr. 524 op 11 november 1879, dat de vergunning voor de bouw van een slachterij op kad. A-1231 wel is verleend. En het kadaster bevestigt dat in leggerregel 880.15 van eigenaar Albert H. Propstra, koopman, en erfpachter Andries de Jong, slager, met een uitgifte in erfpacht in dj. 1882, onder verwijzing naar leggerregel 1106.1 (met dezelfde belanghebbenden) met het vooruitzicht van een ‘verval van vrijdom’ in het dienstjaar 1887. Wat precies de reden is van de ‘overboeking’ naar een legger met uitsluitende de naam van de oorspronkelijke eigenaar Albert Hendriks Propstra wordt niet expliciet beschreven, maar van legger 1106.2 wordt overgeboekt naar legger 880.29. Het dienstjaar 1902 geeft als verandering ‘bijbouw’ met als gevolg dat de term ‘slachthuis’ wordt vervangen door het neutralere begrip ‘schuur’. We nemen aan dat het erfpachtcontract is opgezegd.

Andries de Jong heeft in de periode voor zijn overeenkomst met Propstra op 13 maart 1879 een poging gedaan een hinderwetvergunning voor het pand Achter de Kerk nr. 6 te krijgen. In 1879 heeft dit pand in de vergunningsaanvraag het kadastrale nummer Tjalleberd A-1884. Hij als vleeshouwer en spekslager wil daar een slagerij oprichten, maar de bezwaren van de verver Gerben Pieters Postma, ten oosten; bankdirecteur Leonard Louis Ferdinand Mispelblom Beijer, die advocaat Jhr. Mr. Julius Matthijs van Beyma thoe Kingma heeft gemachtigd, Trijntje Looxma, wed. van Mr. Daniel de Blocq van Scheltinga, mej. G.G. Greydanus, wed. van G.C. de Vrieze en Harmen Martinus Wagenaar uiten zoveel bezwaren, dat de geneeskundig inspecteur in Friesland en Groningen adviseert de vergunning te weigeren. De gemeente Aengwirden verstrekt weliswaar een vergunning, maar de bezwarenmakers vechten die beslissing aan tot voor de Raad van State. Ondanks een zeer positief gestelde brief d.d. 18 maart 1879 van vroegere buren in Schoterland (J.A. Keverkamp, P.H. Romkes en F.H. Fischer), die samen vijf jaar lang een gezamenlijke waterleiding en zinkput hebben gehad, wordt de vergunning niettemin nietig verklaard.

In maart 1892 probeert de vasthoudende Andries de Jong het nogmaals om in hetzelfde pand, welke inmiddels het kadastrale nummer A-4980 heeft gekregen, een vergunning te krijgen van het bestuur van Aengwirden. De tegenwind is minder heftig, maar wel zeer invloedrijk. Deze keer laat de westelijke buurman en bankdirecteur L.L.F. Mispelblom Beijer zich vertegenwoordigen door de advocaat mr. Adriaan Burger CPzn. en ter bescherming van de noordelijke bezittingen van Trijntje Looxma, die is hertrouwd met  Commissaris van de Koning Jhr. Mr. J.E.A. van Panhuys. Hun advies is: verleen geen hinderwetvergunning voor een slagerij ! Maar het liep toch even anders in 1892!

De gehele periode vanaf maart 1879 heeft Andries de Jong in dit huis Achter de Kerk gewoond.

In de periode 1880-1890 op nummer 48, welke in 1890 wordt hernummerd naar nr. 50, in 1900 naar nr. 59 en in 1910 naar nr. 78.  De familie Taconis, die de slagerij bij de ‘Grote Kerk’ in huur heeft gegeven aan Andries de Jong, verkoopt volgens het Nieuwsblad van Friesland van 20 maart 1915 het pand aan de gezusters de Jong voor een bedrag van fl.3700,-. Deze dames verhuren het vervolgens aan slager Albert Bosscha.

Andries Johannes de Jong geeft ons in een aantal uitingen in de krant een inkijkje op zijn vakmanschap en zijn terriërnatuur in de kwestie ‘ongesmolten rundvet’. In het Nieuwsblad van Friesland van 10 september 1902 vraagt Andries zich in een advertentie openlijk af, naar aanleiding van de zilveren medaille waarmee de gebrs. Smilde hun gesmolten rundvet op de landbouw-tentoonstelling te Leeuwarden zien worden bekroond. Hij formuleert drie kritische vragen: “Zou dat vet ongesmolten ook bekroond zijn? Zou dat vet ongesmolten ook zoo veel afnemers vinden? Zou dat vet ongesmolten ook de proef kunnen doorstaan van scheikundig onderzoek?”

Het antwoord, welke in het Nieuwsblad van Friesland niet is te vinden, is kennelijk wel beantwoord per brief. De Jong schrijft in een advertentie van de 17e september 1902, dat zijn drie vragen slecht zijn beantwoord. Zij halen er dingen bij aan, die met die vragen niets te maken hebben. Hij vindt het bepaald niet nobel om zich er op die manier uit te redden. Hij herhaalt zijn drie vragen en daagt uit: ‘Durft, of wilt gij deze drie vragen naar waarheid niet beantwoorden, houd U dan stil.’  Nog twee keer komt hij op het onderwerp terug. Eerst op 11 oktober 1902 onder het kopje “Volksgezondheid”, waarin hij ervoor pleit ongesmolten rundvee te laten keuren door een deskundige voordat het wordt verwerkt tot gesmolten rundvee. Hij geeft als voorbeeld de procedure in de stad Groningen waar ‘tuberculoos’ rundvet wordt vernietigd.

Op 18 oktober 1902 roert hij zich nogmaals in het Nieuwsblad van Friesland. “Neen Smilde’s”. Dat de Gebrs. Smilde reclame maken met de bevindingen van het chemisch laboratorium van Dr. Hamel Roos en Harmsen te Amsterdam over hun gesmolten rundvet beantwoordt de vragen over ongesmolten rundvet absoluut niet.  Dan kun je niet meer zien of er maden uit het ongesmolten rundvet kruipen. Door de bevoegde ambtenaren in Kampen is in één jaar tijds 3000 pond ongesmolten rundvee om die redenen afgekeurd en vernietigd.

Uit een advertentie van 15 april 1905 kunnen we overigens vaststellen, dat Andries de Jong toch nog verantwoordelijkheid draagt voor zijn opstallen in de Propstrabuurt. Hij plaatst een advertentie met de volgende tekst: “Te koop: HOOI, Schuurtje met stalling voor zeven koeien, zeer geschikt voor een melktapper, ruim twee bos prikkeldraad, twee honderd paaltjes, zoo goed als nieuw, bij Andries de Jong, slager, Heerenveen. Nog met Mei te huur een zeer sterk en ruim Pakhuis aan de Molenwijk met dubbele Zolders.”

Ook eerder heeft hij al op 22 november 1902 een “ijzersterk pakhuis’ uit de hand te koop aangeboden met dubbele zolders, bergplaatsen, wagenhuis, paardenstalling, enz. Zelfs te huur voor 5 of 10 jaar. We hebben nog nergens bevestigd gezien of het slager de Jong is gelukt om het pand te verkopen of verhuren. Wel vinden we bij de hinderwetvergunningen van het jaar 1911 onder no. 151 de aanvraag voor een vergunning voor een bergplaats voor lompen en beenderen door Salomo Mendels, volgens dit stuk, koopman te Wolvega. Het kadastrale perceel betreft A-1731 en er is sprake van een huisnummer 508. Het aanvraagformulier is gedateerd 21 april 1911. Het blijkt dat diverse medegebruikers van het Propstra-terrein niet enthousiast zijn voor een dergelijke bestemming. Er worden nogal wat bezwaren ingebracht. Zo komt Mr. M.Mz. Heloma als gemachtigde op voor mej. Hobbine Daniëlla Heloma, die woont op het westelijke perceel van het Grote Huys. Haar bewaar geldt de vrees voor stankoverlast, temeer daar aan de overkant van de dwarsvaart ook Klaas Vrij zijn affaire heeft (huiden, e.d.). G.J. Pothaar sr. als kerkbestuurder van de Ned. Herv. Gemeente deelt die bezwaren en dringt aan op een advies van de gezondheidscommissie. Ook mede-eigenaar Johannes Hendrikus Taconis, ega van Geertje Propstra, (eigenaars van A-1730) vreest stankoverlast en de aantrekkingskracht voor honden. De penningmeester van de Werkliedenvereniging “Heerenveen en omstreken” W.K. de Ruiter stelt dat zij in de onmiddellijke nabijheid een winkel hebben, die ook ‘s avonds open is en ze vrezen voor hinder en schade door stank. Het naast hun winkel staande huis waar H.F. de Wit woont, die ook zelf bezwaar maakt, zal daardoor waardedaling ondergaan. Molenmaker Jelmer Murks Visser heeft vlakbij zijn werkplaats (A-1732), waar veel buiten wordt gewerkt. Hij vreest met name de terugkeer van ratten, die hij juist uit zijn werkplaats heeft bestreden. Naast de huidenzouterij van Klaas Vrij heeft W. Mienstra een woning, die ook de stank en het ongedierte bezwaarlijk vindt.

Zal Salomo Mendels zijn vergunning wel krijgen ? Nee, dus ! Het besluit valt op 29 mei 1911: ‘geweigerd’, en de bekendmaking door B. en W. is gedateerd op 31 mei 1911. (SCO 1008 )

Ondanks deze tegenslag vestigt Salomo Mendels zich wel in Heerenveen met zijn echtgenote Evalina Haas, waarmee hij op 7 juli 2011 in Almelo in de echt is verbonden. Op 1 augustus 1911 wordt hij ingeschreven op het adres Heerenveen no. 552. Dat is aan de Korflaan-oostzijde, en later is dat Korflaan 59, vlakbij de Van Riesenstraat.

Een advertentie van 15 juli 1911 uit het Nieuwsblad van Friesland meldt ons, dat “Het Adres voor Heerenveen & Omstreken voor Wrak en Gekwetst Vee, Slachtpaarden, Huiden, Vellen, enz. is thans S. MENDELS, van Riesenstraat, Heerenveen”. Een aantal jaren later in mei 1917 koopt hij één van de Hesselhuizen aan de Verlengde Dracht. Dat is huisnummer 260, welke in 1921 wordt hernummerd naar Dracht nr. 251. Het Adresboek 1922 situeert hem daar eveneens. Op 5 mei 1927 vertrekt hij met zijn gezin, welke inmiddels is uitgebreid met vier kinderen, naar Meppel. 

Dit fragment van de Waterleidingkaart 1913 beslaat het zuidelijk deel van de Propstrabuurt.

U herkent diverse kadasternummers.

De vierde erfpachter van de Propstrabuurt: Anthonius of Anthonie Kestens.

Ook in een vroeg stadium voor het sluiten van erfpachtcontracten meldt zich de steenhouwer Anthonius Kestens.  Hij is geboren in 1824 te Sneek als zoon van een schoenmaker en begint zelf als steenhouwersknecht. Zijn eerste kind wordt nog geboren in 1852 in Sneek, waarvan de moeder Intje Hagedoorn is. De volgende kinderen worden geboren in de periode 1854 tot en met 1868 in Nijehaske, waar hij op de Heerenwal nr. 43 heeft gewoond en zijn ‘steenhouwerij’ heeft geëxploiteerd. Op 25 november 1878 koopt hij bij notariële akte een huis met erf ter grootte van 2.20 are en een bedrag van fl.3.550,- van de erven van doopsgezind predikant Romke Jans Keestra. Dat huis staat aan de Nieuwburen en heeft het kadasternummer A-161.

06 Fragment 1913 kadasterIn de loop van de jaren ontwikkelt hij zich van ambachtsman naar koopman, b.v. voor de levering van verschillende steensoorten en keien. Overigens lukt niet alles, want in de “Bekendmakingen van het bestuur van Schoterland uit de periode 1876-1884” (SCO 1004), lezen we dat hem een vergunning voor het oprichten van een kalkblusserij te ‘t Meer (sectie B-839) op 22 maart 1879 is geweigerd. In diezelfde tijd (in het kad. dienstjaar 1879) is hij ook bezig om met Albert Hendriks Propstra tot overeenstemming te komen voor een erfpachtcontract voor de kadastrale percelen A-1643 (schuur en erf, 2.80 are) en A-1644 (erf, 1.20 are). Het jaar (dj. 1880) daarop is er sprake van een ‘stichting’ en vergroting van het terrein tot niet alleen de 4.00 are van de samenstellende delen, maar tevens nog 0.20 are van een aanliggend perceel. Het resultaat is een nieuw kadastraal nummer: A-1706, doch met dezelfde inhoudelijke omschrijving ‘schuur en erf’. De op stapel staande ‘uitgifte in erfpacht’ wordt derhalve geregistreerd in het dienstjaar 1882, met als onmiddellijk gevolg opnieuw een nieuw registratienummer en - omdat het kort na de toekenning van A-1706 is, wordt dat A-1728. Dat Kestens slechts 1.85 are ter beschikking lijkt te krijgen,  heeft als oorzaak dat Propstra tegelijk bezig is met de uitvoering van de plannen van uitgever Jacob Hepkema, die op een aangrenzende perceel een ‘boekdrukkerij met erf’ wil realiseren (waarover later meer). Edoch, Propstra komt Kestens behoorlijk tegemoet met uit het perceel A-1717 (een opslagterrein van 5.84 are) 4.00 are voor hem te bestemmen. Daarvoor wordt hem een ‘vrijdom’ toegezegd tot het jaar 1885, terwijl Propstra het eerder toegezegde perceel A-1728 van 1.85 are weer opeist. Daarmee is hij in staat beoogd erfpachter Jacob Hepkema te gerieven met een vergoot terrein voor zijn boekdrukkerij. Kestens is met deze transactie nu erfpachter van A-1729 (!) voor 4.00 are en laat zijn ‘schuur en erf’  in het dienstjaar 1886 een ‘vertimmering’ ondergaan.  Helaas niet voor lang - naar de reden blijven we gissen - maar in het dienstjaar 1887 volgt ‘verkoop’ aan de oorspronkelijke eigenaar Albert Hendriks Propstra.

Dat roept een vraag op ! Heeft Antonius Kestens het terrein met schuur slechts gebruikt voor zijn koopmanschappen, b.v. opslag van stenen, enz. Hem is immers in 1879 na de bezwarenprocedure tegen een verleende vergunning voor het perceel  A-1731 die toestemming ontnomen (SCO 369) !Anderzijds constateren we, dat wanneer hij steenhouwersknechten vraagt dit steeds is voor aangenomen werk buiten Heerenveen. (In 1874 bij het nieuw Burgerweeshuis te Leeuwarden en in 1882 Stationsgebouwen spoorlijn Sneek-Leeuwarden). Bovendien worden een aantal vermeldingen steeds gerelateerd aan zijn koopmansaktiviteit ‘het leveren van steenen’ van verschillende naam voor grote projecten in den lande. Of grafmonumenten binnen zijn opties heeft gelegen blijft onduidelijk.

 De vijfde erfpachter van de Propstrabuurt: Jacob Hepkema, boekdrukker en uitgever.

Iets over de voorgeschiedenis van het ontstaan van deze drukkerij te schrijven isnoodzakelijk om de drive van Jacob Hepkema te begrijpen. Nienko Acronius Hingst, boekhandelaar en vrijgezel, komt op 3 mei 1869 vanuit Nijmegen naar Heerenveen. Hij vestigt zich op de Vleeschmarkt nr. 17 als boekhandelaar. Ongeveer twee jaar later trekt hij Jacob Hepkema aan als volontair, die zijn eerste ervaringen met het drukkersvak heeft opgedaan in een drukkerij in Doetinchem. Vrij snel na zijn aanstelling wordt hij compagnon in de zaak en koopt een drukkerij-inventaris en handpers in Groningen. Deze worden in een pakhuis achter nr. 17 geïnstalleerd en - hoewel Hingst daarover beslist niet enthousiast is - gaat Jacob Hepkema in de zomer van 1873 van start met een proefexemplaar van het Nieuw Advertentieblad van

07 Hepkema plattegrond 1882

  Heerenveen van start. Op 1 januari 1874 rolt het nul-nummer van de pers en binnen de kortste keren heeft het blad 1300 abonné’s, bij een verschijningsfrequentie van één keer per week op zaterdag. Zijn afkomst als onderwijzer laat zich gelden en hij brengt het nieuws in ‘gewone’ taal. Dat blijkt goed aan te slaan.

Vanaf het begin evenwel botert het niet tussen de compagnons en het komt tot een breuk. Hingst gaat door met de boekhandel en Hepkema richt zich op de krant, welke hij volgens contract drukte op de handpers achter de boekhandel. Hingst gaat evenwel ook een krant uitgeven en Hepkema moet daarvoor het veld ruimen. Hij vindt in Steenwijk een drukkerij, die niet alleen de vrijdageditie wil drukken, maar ook een dinsdagexemplaar net als Hingst. Vanaf dat ogenblik gaat Hepkema zich voorbereiden op het stichten van een eigen drukkerij.  Na drie jaar Steenwijkdruk wordt dat een terrein in de Propstrabuurt aan de Molenwijk. Inmiddels is de krant van Hingst niet levensvatbaar gebleken en ter ziele gegaan. Hingst neemt afstand en gaat naar Apeldoorn. De boekhandel wordt overgedragen aan Axel Lourens Land uit Harlingen, die per 3 juli 1877 ook staat ingeschreven. Of eigenlijk moeten we stellen, dat de zaak ‘in de familie’ blijft, want Joukje (1846), getrouwd met Nienko Acronius Hingst, en Axel L. Land (1853) zijn zus en broer. De boekhandel blijft daarom ook nog doorgaan onder de naam ‘N.A. Hingst’.

HepkemaHij opent de onderhandelingen met Albert Hendriks Propstra om twee percelen achter het Breedpad in erfpacht te krijgen.  Op 7 october 1882 deponeert hij een verzoekschrift op de gemeentelijke burelen van Schoterland voor een hinderwetvergunning. De oprichting van een snelpersdrukkerij met stoom als beweegkracht in het gebouw met kadasternummer A-1727 (op dat ogenblik is Anthonie Kestens daarvan nog de erfpachter) en in een daaraan te bouwen machinekamer op het perceel A-1725 is zijn  doel. Aan de voorwaarden kan worden voldaan en de bezwaren van omwonenden zijn geen reden om de vergunning te onthouden.

In de Notulen van B. en W. van Schoterland van 11 november 1882 (SCO 369) dient de aanvrager ‘zich stiptelijk overeenkomstig de bepalingen in de voorschreven wet (art. 6 en 7 der wet van 2 junij 1875 (Staatsblad no. 95) vervat’ te gedragen. Extra wordt nog de nadruk gelegd op de bestaande bepalingen ter voorkoming van brand. Tenslotte moet binnen vier maanden deze stoompersdrukkerij in werking zijn, want anders vervalt de vergunning.

Merkwaardig genoeg vermeldt de “Index op de dossiers inzake de hinderwetvergunningen” onder nr. 24 de naam van J. Hepkema, Heerenveen, Molenwijk A-1727: oprichting snelpersdrukkerij met stoom als beweegkracht, met als aanvraagdatum 7 october 1886. Dat blijkt niet juist te zijn, want na opvragen van het betreffende dossier blijkt daar te staan: 7 october 1882. Bovendien is tevens verzuimd om in de index het tweede kadasternummer A-1725 voor de te bouwen machinekamer te vermelden.  Die informatie is ontleend aan het archiefstuk: SCO 1004. “Bekendmakingen van besluiten van 4 jan. 1876 tot 29 dec. 1884”. De tekst van 13 november 1882 luidt meer dan duidelijk, dat B. en W. van Schoterland op 11 november j.l. (1882), bij besluit no. 36 vergunning hebben verleend voor een stoom-snelpersdrukkerij op de percelen A-1727 en A-1725. Op zaterdag 28 october 1882 heeft namelijk niemand ten gemeentehuize de gelegenheid te baat genomen om bezwaren te uiten. Zeer fortuinlijk is in het hinderwetdossier wel een “Plattegrond-teekening ...” opgenomen in het dossier, zelfs met een balk met schaalverdeling.

Op 12 november 1886 wordt door Hepkema een aanvraag gedaan voor een nieuwe vergunning met als reden, dat hij de stoomkracht wil vervangen door een gasmotor van 2 pk. Omdat er opnieuw geen bezwaarmakers komen opdagen laten de loco-burgemeester H.A. Veenbaas en secretaris A. Rodenhuis weten, dat de - hernummerde - percelen A-1845 en A-1728 daarvoor mogen worden bestemd. A-1727 is door een ‘aanbouw’ in het dienstjaar 1885 vergroot tot 0.85 are. Met het nieuwe kadastrale nummer A-1876 wordt in het kadastrale dienstjaar 1887 een z.g.n. ‘vereeniging’ nagestreefd met grond van A-1725 tot een totale grootte van 1.93 are. Van die grond - de reed of het voetpad - met een oppervlakte van 3.85 are gaat er dus 1.08 are over in erfpacht naar Jacob Hepkema.

Met deze transactie is de expansiedrift van Jacob Hepkema nog niet gedoofd. In het dienstjaar 1903 geeft het kadaster aan, dat er sprake is geweest van ‘bijbouw en vereeniging’, waardoor A-

1876 wordt getransformeerd van 1.93 are grondoppervlak naar 4.27 are tot het nieuwe kadastralenummer A-2430 (geregistreerd onder leggernummer 1574.1: eig. A.H. Propstra, erfpachter J.Hepkema).  De vergroting van de drukkerij met 2.34 are uit het perceel A-1879 (in 1887 ontstaan uit een vereniging van perceelonderdelen en in dat jaar ook toegekend door het kadaster) is met een schuur en erf voor Hepkema van essentieel belang. Wat resteert is voor de stichting van een huis en erf door A.H. Propstra zelf en wordt aangegeven met een grootte van 1.96 are en het nieuwe kadasternummer A-2431. De inhoudelijke wijziging in het dienstjaar 1902 betreft een stichting, welke volgens de aanvraag voor een hinderwetvergunning van 30 november 1901 wordt omschreven als de oprichting van een boek-en courantendrukkerij te Heerenveen in het te stichten gebouw op het perceel A-1879, waarbij een gasmotor van veertig (40) paardekrachten de beweegkracht zal leveren.

08 Hepkemamolenwijk 1902

Bijschrift:In 1902 is deze foto gemaakt van de “Stoomsnelpersdrukkerij van J. Hepkema”. De Molenwijk is nog goed bevaarbaar. Vanuit de Munnikssteeg wordt de wijk overbrugd naar de Propstrasingel. In 1880 heeft koopman Albert Propstra Hzn al geprobeerd de gemeente te bewegen over de wijk een brug aan te leggen en langs de gebouwen een klinkertbestrating. In ruil daarvoor wil hij dan afstand doen van zijn recht om een zet met barten te houden over de Molenwijk. Het bestuur wijst dat voorstel af. (Nog) niet precies bekend is wanneer deze brug wel is aangelegd, maar in ieder geval vóór 1902. Het rechtse huis - kadastraal Heerenveen A-1877 - is in het jaar 1887 gebouwd en ‘uitgegeven in erfpacht’ aan de Werkliedenvereniging Heerenveen en omstreken.

De bedoelde hinderwetvergunning nr. 91 van 1901 (SCO 2184) bevat nog wel wat bijzondere informatie, omdat de naastlegers worden beschreven. Ten noord-westen ligt Hepkema’s A-1876, maar ook A-1877 en A-1878 van de Coöperatieve Winkelvereeniging te Heerenveen (van de Werkliedenvereeniging). Ten noord-oosten bevindt zich de Molenwijk en ten zuid-oosten A-1730 van eigenaar A. Propstra Hzn en zijn gebruiker de verver G.A. Witteveen. Uiteraard ligt naast dit terrein ten zuid-westen het kapitale bezit van mej. Hobbine Daniëlla Heloma, nl. het Grote Huys met tuinen. De laatste update van het erfpachtcontract van Hepkema in het dienstjaar 1903 is het resultaat (leggerregel 1574.2 meldt dat expliciet: eig. A.H. en H.A. Propstra, kooplieden, Nijehaske; erfpachter Jacob Hepkema, boekdrukker en uitgever te Nijehaske (hij woont op de Heerenwal (nu) nr. 15) van Achterom A-2430; drukkerij en erf; met een grootte van 4.27 are en een gebouwde waarde van fl.180,-; ondergaat als reden van verandering: dj. 1903 uitgifte in erfpacht; het perceel is ontstaan uit leggerregel 1574.1 en de nieuwe situatie is beschreven in leggerregel 1583.1 (van Geertje Propstra, e.v. Johannes H. Taconis) onder kad. nr. A-2444 (drukkerij en erf, 3.49 are) en 880.34 (van Albert Hendriks Propstra) onder kad. nr. A-2445 (voetpad, 0.78 are). U ziet dat deze beide kadasternummer ook weer een totale grootte beslaan van 4.27 are.

Nadat erfpachter Jacob Hepkema te kennen heeft gegeven, dat hij van plan is een nieuwe plaats voor zijn drukkerij te zoeken, is het moeilijk de kadastrale verantwoording daarvan te volgen. Deze worden beschreven in de dienstjaren 1910 en 1911 en alles komt nu voor de verantwoordelijkheid van Geertje Propstra én haar echtgenoot Johannes Hendrikus Taconis, de tabaksfabrikant van de Rookende Moor. De term ‘drukkerij en erf’ worden vervangen door ‘huis, erf en werkplaats).

Door de snelle ontwikkelingen in de drukkerijwereld is Hepkema in dit gebied tegen de grenzen van de mogelijkheden aan gelopen. Hij oriënteert zich op een nieuwe locatie in Nijehaske. B. en W. van Haskerland zijn hem ter wille met een positief besluit op 18 juni 1904, hetgeen blijkt uit een register van de Woningwet over de periode 1903 tot en met 1918 (HAS inv.nr. 1599) Onder no. 28 wordt daar ingeschreven op 29 juni 1904: J. Hepkema. Zeer tot onze verbazing vinden we in het archief van de gemeente Aengwirden (inv. nr. 1148) onder bouwvergunning nr. 30: “J. Hepkema, Heerenveen, Toegangsweg stations spoor en tram Nh (Nijehaske): bouwen van een nieuwe drukkerij met kantoren, 1905”. Deze vermelding moeten we in verband brengen met het historische feit, dat de Stationsweg door Aengwirden en Haskerland vanaf de aanleg kort voor 1870 steeds gezamenlijk door beide gemeenten moest worden onderhouden. Daarover is destijds een overeenkomst gesloten. Uit zakelijke fatsoensoverwegingen zal Hepkema hen daarover hebben ingelicht.

Het ‘Register, betr.  fabrieken en werkplaatsen, opgemaakt in gevolge de veiligheidswet (hinderwet) over de periode 1897 tot 1933 (HAS 1626), meldt dat in augustus 1905 de courantdrukkerij aan de Stationsweg met twee gasmotoren van 25 paardekrachten van start is gegaan.

Erg lang heeft het door hen verlaten pand aan de Molenwijk niet leeg gestaan. Op 21 oktober 1905 brengt het Nieuwsblad van Friesland vanuit haar nieuwe locatie het nieuws:

“NIEUW. NIEUW. Ondergeteekende maken aan het geachte publiek bekend, dat zij in de oude Drukkerij van den heer Tj. Hepkema te Heerenveen een Meubelfabriek hebben opgericht. Zich beleefd aanbevelend voor de levering van Eiken-en Geschilderde Meubelen tegen concurreerende prijzen. Van Aalzum & Mienstra.” De samenwerking heeft niet zo lang geduurd, want in het bevolkingsregister van Aengwirden 1890-1920, deel I, wordt onder volgnummer 18 genoemd de persoon van Johannes van Aalzum (1872), meubelverver. Hij is op 18 mei 1906 uit Joure gekomen naar het Aengwirder deel van Heerenveen op huisnummer 155 en vertrekt op 7 juni 1907 weer naar Joure. (AEN 1322) Zijn compagnon W. Mienstra adverteert op persoonlijke titel in het Nieuwsblad van Friesland van 29 september 1906 onder het kopje “Bouwkundigen”, dat hij van plan is net als vorige jaren ook de komende winter les te geven in ‘Bouwkundig-en Meubelteekenen’ . Kandidaten kunnen zich in dat geval bij hem melden op de Heerenwal vóór 7 oktober.

Later op 9 oktober 1909 staat er opnieuw zo’n advertentie in de krant. Het is duidelijk dat de samenwerking niet succesvol is geweest. 

Het kadasternummer A-2431 is op de Waterleidingkaart van 1913 nog prominent aanwezig. Aangezien het bestaat uit ‘huis en erf’ is het niet ondenkbaar, dat dit perceel wordt beschreven in een Fries Mozaïek van Douwe Miedema in de Friese Koerier van 16 januari 1965 over de werkmanswinkel. Miedema schrijft: “Daar bij de drukkerij stonden twee woningen en dan nog de werkplaats van de pompmaker Jaring Wijntjes.”  Het is niet vast te stellen, wanneer Wijntjes - die zichzelf consequent ‘Wientjes’ noemt - die werkplaats in gebruik heeft genomen. Zowel het bevolkingsregister 1910-1920 als daaropvolgende  gezinskaart geeft aan dat hij woont aan de Korflaan. Eerst staat hij op nr. 575, welk in 1920 wordt hernummerd tot nr. 592. Zijn ochtend-routine zal dus zijn geweest een loopje door de Korflaan - hij woont aan de westkant in het tweede gedeelte van de straat zo’n 140 meter van de Verlengde Molensteeg. Die volgt hij een aantal meters in de richting van de Dracht om via het Krugersdorp en over de ‘barte’ van de dwarsgracht op de Propstrasingel te komen. Een minuut of zeven na zijn huis te hebben verlaten is hij dan bij zijn werkplaats. In november 1921 verhuist hij naar de Van Cuyckstraat, dan nog Heerenveen no. 716b als adres hebbend. Dat hagelnieuwe huis staat aan de oostkant van de straat, vlak bij de rooms-katholieke school. Het wordt in 1930 vernummerd naar Van Cuijckstraat 25.  Op 18 januari 1933 overlijdt hij daar op 86 jarige leeftijd. Hij heeft dus niet aan de Propstrasingel gewoond.

Veel later - wanneer de Woningkaarten zijn ingevoerd  omstreeks 1934 - wordt er ook eentje aangelegd voor ‘Propstrasingel 9’. Helaas staat daar geen naam van de gebruikers op, maar wel de opmerking: “pompmakerij afgebroken”. Dat zal dus gebruikt zijn door Jaring Wientjes (Wijntjes). Helaas zonder afbraakdatum ! 

Een historische anecdote van journalist Aart Aartsma van de Hepkemakrant, ontleend aan zijn bekende boekje: “Heerenveen omstreeks 1875 en later”, maakt ook indruk. Hij geeft een opsomming van de bebouwing van de westkant van de Molenwijk. Vooraan - vanaf het Breedpad - staat als eerste het winkelhuis met pakhuis van de Gebroeders Spandaw. Daarna een bleekveld en voorbij het buggetje Hepkema’s eerste drukkerij. Daarnaast de ‘brandhoutopslag’ van de drie gebroeders Bakker: Klaas, Kobus en Hendrik. Deze mannen hebben de eigenaardige gewoonte nooit naast elkaar te lopen, maar altijd achterelkaar: Klaas voorop. Zo’n anecdote maakt nieuwsgierig en dus gaan we eens even ‘sneupen’. We starten onze zoektocht in Heerenveen-Aengwirden, waar moeder Antje Lieuwes Hemminga woont in huisno. 70 aan het Achterom in Aengwirden. Zij is dan al hoofd van het gezin sinds 20 april 1876 weduwe van Tjeerd Roels Bakker. En niet zomaar hoofd van een gezin, maar een gezin van twee ongehuwde dochters Tjitske (1827) en Gepke (1829) en bovendien drie vrijgezelle zoons Hendrik (1834), Jacobus (1839) en Klaas (1837). Bovendien zijn er ook nog drie kinderen heel erg jong overleden en de oudste zoon Lieuwe (1825) wordt slechts 22 jaar oud. Tenslotte zijn er nog twee broers getrouwd: Roel (van 1831) en Johannes (van 1834).

Wanneer moeder Antje op 17 december 1890 in het huis aan het Achterom in Aengwirden overlijdt, blijft het niet-getrouwde vijftal daar nog wonen. Op 1 juli 1893 verhuizen ze naar het Schoterlandse deel van Heerenveen naar de Heideburen no. 140. Daar heeft een dubbel rijtje éénkamerwoningen achter de bebouwing gestaan, bereikbaar via de ‘Eric-Bramsteeg’ (zoals het tegenwoordige straatnamenbordje aangeeft). Deze zijn later in 1930 afgebroken. In december 1893 overlijdt daar Tjitske en in mei 1894 verhuizen ze met z’n vieren naar een éénkamerwoning van Tjipke Everts van der Werf (ergens achter de bebouwing van de Lindegracht onder no. 68, bereikbaar door de steeg langs de voormalige apotheek van Bouma). Gepke, die dan de huishouding op zich zal hebben genomen, overlijdt daar 22 juli 1895. Eerst staan de mannen als ‘arbeider’ in het bevolkingsregister, maar na de verhuizing naar de Lindegracht wordt Hendrik ‘houthandelaar’ genoemd en Jacobus en Klaas staan als ‘houthakker’ te boek. Klaas overlijdt als eerste op 21 juli 1907 en Hendrik op 5 april 1909. De dood van Jacobus is op Tresoar niet te traceren, noch in het Nieuwsblad van Friesland van begin 1900, maar gelukkig blijkt de overlijdensacte nr.151 van de gemeente Schoterland van 1916 wel beschikbaar te zijn op het gemeentearchief van Heerenveen. Jacobus Bakker blijkt zijn broers royaal te hebben overleefd. Hij overlijdt namelijk pas op 29 september 1916, om 2 uur 's nachts, op 77 jarige leeftijd. Als zijn beroep staat dan vermeld: arbeider"

Na de houtopslag van de gebroeders Bakker staat er de molenmakerswerkplaats van Murk Visser. Voorbij de dwarsgracht komen dan de steendrukkerij van Krediet en de leerlooierijen van Van der Sluis en Feits.  Aartsma beschrijft daarmee een situatie van vóór 1904: het jaar waarin de familie Feits de leerlooierijen van de hand doen ! 

Op 9 september 1932 treffen we - ook nu weer in de Hepkemakrant - een ingezonden stuk aan van de heer Piebe Krediet uit de steendrukkers-en boekhandelaarsfamilie Krediet uit Heerenveen. Zijn titel luidt: “Hoe een oud-Heerenveenster zijn vroegere woonplaats terug vond”. Interessant in dat stuk is voor ons de passage, waarin hij door het Bakkerssteegje naar de Molenwijk loopt en aan de overkant op een gebouw het bordje ‘onbewoonbaar verklaarde woning’ ziet. Dat is de steendrukkerij van zijn familie geweest.

De zesde erfpachter van de Propstrabuurt: de Werkliedenvereniging voor Heerenveen e.o. 

Op een herdenkingsavond van de Coöperatie Verbruiksvereniging “Excelsior” op 21 april 1942 te Heerenveen geeft voorzitter K. Bouwer een summier historisch overzicht. Al in het jaar 1876 wordt in Heerenveen door de bestaande werkliedenvereniging een coöperatieve winkel opgericht. Het doel is om tegen een billijke prijs goede waren te verkopen met een goed gewicht. De winkel heeft gestaan, waar later de werkplaats is van de firma Jager en Wierda aan de Propstrasingel. In het begin is de zaak alleen 's Zaterdagsavonds geopend; later ook op andere avonden. De leden fungeren om de beurt als winkelbediende en doen hun werk gratis. Het resultaat is, dat al spoedig een behoorlijke dividend kan worden uitgekeerd. Naast kruidenierswaren worden aardappelen en turf geleverd. Behalve het coöperatief inkopen van artikelen wordt ook aan cultureel werk gedaan: een tooneelclub, een bibliotheek en een bouwvereeniging worden opgericht. Het ledental neemt steeds meer toe en men kan in 1917 overgaan tot het openen van een ruimere winkel in de Kerkstraat.

Een zoektocht met <www.delpher.nl> laat ons in het bijvoegsel van de Nederlandsche Staatscourant van zaterdag 24 juni 1882, no. 147 kennismaken met het reglement van de Werkliedenvereeniging “Heerenveen en omstreken”, afd. van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond te Heerenveen, gemeente Schoterland. Ze hebben dan volgens de informatie van de heer K Bouwer al ruim 5 jaar bestaan.  Als hoofddoel wordt beschreven, dat zij langs wettige weg en met gepaste middelen de toestand van de werkman willen verbeteren. Een afgeleide daarvan is het bevorderen van de coöperatie. Uit dat doel groeit het fenomeen van de ‘Werkmanswinkel’.

Deze zal evenwel ‘officieel’ pas ontstaan als koopman Albert Hendriks Propstra in het kadastrale dienstjaar 1887 een ‘schuur en erf’ op een perceel ter grootte van 1.75 are onder kadasternummer A-1728 uitgeeft in erfpacht . Eén van de belanghebbende is de Werkliedenvereniging Heerenveen en omstreken. Zij komen een perceel van 0.71 are overeen met de eigenaar en verdelen dat in tweede delen: 40 centiare is bestemd voor een ‘huis’ en 31 centiare wordt bestemd tot ‘winkel’. Het kadaster zorgt ervoor dat het ‘huis’ kadasternummer A-1877 krijgt en de winkel A-1878. Beide objecten genieten een belastingvrijdom van vijf jaren, welke dus in 1892 afloopt. De gebouwde waarde wordt aanvankelijk in 1892 voor het huis fl.40,- (later verhoogd tot fl.49,-) en voor de winkel fl.25, (later verlaagd tot fl.24,-).

In het voorbereidingstraject speelt notaris Gerrit Boschloo een cruciale rol, wanneer hij in repertoire 057091 d.d. 10 juni 1886 het verstrekken van een obligatie mag beschrijven voor een kapitaal van fl.1200,-. De heren Halbe Binnerts, jhr. Julius Matthijs van Beijma thoe Kingma, Antoon Reinhard Uhl en Jacob Hepkema, allen inwoners van Heerenveen, hebben besloten hen dat geld te lenen en zijn nu dus de schuldeisers. Belanghebbende Werkliedenvereniging Heerenveen en omstreken is dus de schuldenaar.

09 Propstrabuurt lucht 1931

 Een aantekening uit een van de vele archiefdozen van het museum (van een vroegere anonieme onderzoeker) heeft ooit de kadastrale registratie inderdaad aangetroffen in het leggerhoofd van legger 1218.   De volledige vermelding daarvan verschaft ons alle informatie: “eig. Albert Propstra Hzn, koopman, Nijehaske , dj. 1903 doorgehaald: Geertje Propstra, zonder, Heerenveen; vrouw van Johannes Hendriks Taconis, Heerenveen, dj. 1907; erfpachter voor 30 jaren ingaande 12 mei 1885: Heerenveen en omstreken, Werkliedenvereeniging.”

Na die periode zal de eigenaar het perceel weer als volledig eigendom in haar bezit krijgen- in dit geval Geertje Propstra en haar echtgenoot J.H. Taconis - ware het niet, dat ten kantore van notaris Marius Adrianus Johannes Verkouteren op de Fok op 22 januari 1916 in de geschiedenis van de Werklieden Vereeniging Heerenveen en omstreken een beslissende stap wordt gezet. In repertoire 055148 wordt vastgelegd de ‘eindiging’ ofwel het einde van het erfpachtrecht van een stuk grond met overname van de gebouwen te Heerenveen. Eigenaresse Geertje Propstra c.s, wonende te Oudeschoot, verkoopt het vastgoed - door de vereniging jarenlang gebruikt onder erfpacht - voor een bedrag van fl.1450,-. Het dient te worden betaald per 1 mei 1916. De Werkliedenvereeniging koopt het. 

Een berichtje in Het Nieuws van den Dag van 21 maart 1887 over de Werkliedenvereeniging te Heerenveen geeft door een verslag van de penningmeester een klein beetje inzicht in de exploitatie van de coöperatieve winkel. Het laatste half jaar sluit met een uitkering van 7 %, terwijl de kas met fl.106,70 is vooruitgegaan. Ook zijn er drie nieuwe leden en een donateur toegetreden.

Bovendien wordt er ruim aandacht geschonken aan deelneming aan het onderwijs.  In augustus 1886 wordt er op een feestelijke dag aandacht geschonken aan de kinderen van de leden die schoolgaand zijn. Die kinderen welke de school het minst of geheel niet hebben verzuimd krijgen prachtige prijzen uitgereikt. Ook in maart 1887 schrijft de secretaris, dat het schoolbezoek van kinderen in Heerenveen niets te wensen overlaat. Op de dorpen waar veldarbeid het hoofdmiddel van bestaan is, blijft het schoolverzuim groot. Op 23 augustus 1896 maken de leden met hun vrouwen en kinderen een uitstapje, een pleziertochtje per stoomboot naar Sneek. In de bovenzaal van een hotel in Sneek worden de 38 kinderen  door voorzitter Braaksma in het zonnetje gezet. 37 van die 38 hebben minder dan vijf lessen in een heel schooljaar gemist. Linze de Jong maakt de vereniging een compliment, dat zij de voorwaarde voor welvaart: ontwikkeling, zo serieus nemen. De feestelijkheden worden nog benadrukt doordat een aantal leden van het fanfarecorps ‘Concordia’ het feestelijke gebeuren met muziek ondersteunen.

De Leeuwarder Courant van 8 oktober 1889 besteedt nog even aandacht aan een organisatorische gebeurtenis. Staatsblad no. 251 bevat namelijk de goedgekeurde statuten van de Werkliedenvereniging “Heerenveen en omstreken”, afd. van het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond.

De journalist D.M. van Woude (Douwe Miedema), die verantwoordelijk is voor veel verhalen over Heerenveen in de rubriek van ‘Fries Mozaïek’ en ‘Ut ‘e Lapekoer’ van de Friese Koerier, schrijft 16 januari 1965 een aantal regels over de ‘Werkmanswinkel’. Op 5 oktober 1892 wordt op het zolderkamertje van de winkel opgericht het bekende fanfarecorps ‘Concordia’. Daarbij is een zekere H. de Jong de initiatiefnemer geweest. De omstandigheden, waaronder het winkeltje wordt geëxploiteerd, schets Miedema eveneens. De beurtelingse bediening gebeurt hoofdzakelijk in de avonduren, die men daarvoor opofferen. Er is geen betaald personeel en van winkelsluiting heeft men nog nooit gehoord. Het ideaal van de coöperatie leeft met name sterk in de opkomende arbeidersbeweging.

Het vervallen van die erfpacht in het dienstjaar 1916 luidt voor de coöperatieve winkel een nieuw tijdperk in. De werkmanswinkel sluit zich in 1917 aan bij de coöp. verbruiksvereeniging „Excelsior" te Leeuwarden. Er wordt dan een vestiging geopend aan de Kerkstraat.

10 Fragment Saneringsplan 1968Op 26 oktober 1917 kondigt de Werkliedenvereeniging “Heerenveen en Omstreken” haar Algemene Ledenvergadering aan voor Dinsdag 30 october , ‘s avonds 8 uur, in Café Prinsen. Het belangrijkste punt van de agenda is een voorstel tot opheffing der Werkliedenvereeniging, “nu deze als’t ware is opgelost in de Coöperatie Excelsior.” (Zie art. 19 van het Reglement.) In vette letters wordt er door het bestuur nog bij deze convocatie gezet: ‘Eenige kennisgeving! Aller opkomst gewenscht.’ Zoekend naar een verkoopdatum van de winkel en het huisje door de “Coöperatie Excelsior” tussen 1917 en 1923 vangen we bij het notariaat - slechts - bot.

Maar .... enkele jaren later staat in het verkoopboekje van 30 januari en 13 februari 1923 - door notaris Faber uit Langweer bij verkoop van de gebouwen van de firma Jager en Wierda - een inhoudelijke beschrijving van de woonruimten van de beide huisjes. Kadastraal A-1877 - het meest noord-westelijke huisje - wordt gehuurd door H. de Wit , die tot zijn woongenot heeft: een kamer en een kamertje, gang, keuken, regenwatersbak en privaat en een beschoten dak met bedstede. In het adresboek van 1922 staat H.F. de Wit op het adres” Achter Breedpad nr. 516 en als zijn beroep ’winkelbediende’. Op zijn gezinskaart staat bovendien, dat Hermanus Fredericus de Wit per augustus 1924 is verhuisd van Heerenveen 516 naar “Heerenveen 537 bij Hendrikus Jansma” en dat is aan de Korflaan nr. 6.  Kadasternummer A-1878 - zuidelijk daarvan gelegen - is vanaf  12 mei 1923 in huur bij chauffeur A(ge) Schotanus, die slechts beschikt over een kamer en gang beneden en boven een beschoten dak en slaapkamertje en daarvoor op jaarbasis fl.80,- moet betalen. De verhuizing heeft z’n negen maanden oude, bruingevlekte gespikkelde jachthond ‘Nero’ met een scheurtje in een van de oren, kennelijk in de war gebracht, want in een advertentie in de categorie ‘Vermist’ looft Schotanus een beloning uit voor terugbezorging of aanwijzingen.

Conclusie uit het verkoopboekje is dus dat de heer Johannes Wierda, die onder de naam Fa. Jager en Wierda een doorstart maakt, de nieuwe eigenaar is geworden van A-1877 en A-1878. 

Geen erfpacht meer voor de firma Jager en Wierda, autohandelaren.

Ambitieus zijn Wytze Jager en Johannes Wierda al wanneer ze op 3 maart 1903 de “Rijwielhandel Jager & Wierda” bekend maken bij het geëerde publiek. Met ingang van 1 maart zijn ze voor gezamenlijke rekening begonnen met de verkoop van nieuwe rijwielen. Naast ruiling van rijwielen zijn ze ook in staat alle voorkomende reparaties te verrichten aan motorrijwielen. Daarnaast is hun werkplaats ingericht voor emailleren en vernikkelen van rijwielen en andere huishoudelijke artikelen. Zij hebben zich gevestigd in de vanouds bekende boterwaag op het gemeenteplein. Niemand kijkt er in Heerenveen van op, wanneer zij op 31 december 1904 via het Nieuwsblad van Friesland vernemen, dat de firma Harmsen en Nieuwenhuis hun rijwielzaak op 1 januari zullen overdragen aan de heren Jager en Wierda.

Vanaf dit moment afficheren Jager & Wierda zich als ‘Heerenveensche Rijwielhandel’ met merken als Humber, Adler, Friso, maar ook motorrijwielen, b.v. F.N. (Fabrique Nationale, een frans merk) en zelfs automobielen. Het geheel wordt met een ogenschijnlijk royaal reclamebudget via wekelijkse advertenties in de markt gezet, zowel voor de Heerenveense als de Leeuwarder vestiging.

In 1912 verkopen ze de ‘kleinhandel in rijwielen’  in de Waag aan de Gebr. Wijma en kopen zelf een pand aan de Dracht, waarin ze een garage vestigen. Dat pand kwam vrij door het overlijden van de doopsgezinde predikant ds. A. Vis en de Doopsgezinde Gemeente verkoopt het 3.80 are grote pand aan de firma Jager & Wierda c.s voor fl.8450,-. Deze krijgt een ‘verandering van bestemming’ door van het huis met tuin en schuur een autogarage te maken. Het blijkt de opmaat van een reeks uitbreidingen van het automobielbedrijf: ondergrondse benzineopslag, benzinepompinstallatie aan de Drachtzijde, vestiging van een verhuurbedrijf en taxionderneming op de tweede Heerenwal, en last but not least: een gigantische uitbreiding van de mogelijkheden aan de westkant van de Molenwijk en ná 1934 aan de Gedempte Molenwijk. Daaraan en andere ontwikkelingen gaan de 20 eeuw markeren. Ook dit zal weer flink wat  onderzoektijd nodig hebben en ongetwijfeld zullen vele oudere Heerenveners daaraan bijdragen kunnen leveren, omdat ze in dit gebied werkzaam zijn geweest (garagebedrijf, schoenenhandel, timmerwerkplaats, etc), hun vrije uren er hebben doorgebracht (ToNight, gokpaleis, dancing, etc.) of er anderszins (medewerker van de Israëlshop of klant van Bandstra) met regelmaat zijn geweest. 

         Aanvullende reactie van de heer Ys Sevensma, d.d. 3 januari 2017,

welke we graag - met dank - als citaat toevoegen:

“Toen ik las dat Transportbedrijf Broersma daar een perceel had aangekocht voor het stallen van zijn vrachtwagens herinnerde ik mij ineens een beeld uit het verleden. Het moet begin 1945 zijn geweest dat ik daar over een schutting keek en er een vrachtwagen van de fa. Broersma zag staan. Deze was onderweg van Joure naar Heerenveen, slachtoffer geworden van een beschieting door geallieerde vliegtuigen. De auto was doorzeefd met kogelgaten en dat kwam mij nu weer in de herinnering. Ik weet dat ik het vreemd vond daar deze wagen te zien staan, aangezien Broersma zijn bedrijf uitoefende aan de Verlengde Dracht. Ik hield het er op dat Jager & Wierda zich over deze wagen had ontfermd. Maar nu is duidelijk dat Broersma ook aan de Propstrasingel een terrein had. De naam Propstrasingel was overigens een wel erg weidse naam voor dit straatje dat meer de omvang had van een steegje.”  

 2016, december 17 - wibbo westerdijk - hip-backup-met dank aan Piet Offringa