Wanneer we het ontstaan van de plaats Heerenveen willen nagaan, is het onvermijdelijk dat we de historie van de Veencompagnie, die hier actief was, onder ogen zien.

De grote namen van die Compagnie waren Dekema, Cuyck en Foeyt(s) [uitspraak waarschijnlijk "vooit(s)"] en van die drie was de eerste voor ons doel de meest belangrijke. Dr. Pieter Hettes van Dekema, wonende te Jelsum op Dekema State, was een kleinzoon van de bekende Juw van Dekema, de laatste Friese potentaat of "onderkoning". Hij was grietman van Baarderadeel en sinds 1538 raadsheer van het Hof van Friesland - het hoogste rechtsprekende college. Hij was gehuwd met Catharina van Loo, dochter van de rentmeester-generaal en zuster van diens opvolger Boudewijn van Loo. Hij bezat twee hoven in Oudehorne en zijn neef had bezittingen in Kortezwaag, maar die waren vrij waardeloos zolang er geen vervening zou plaatsvinden. Het waren namelijk vrij uitgestrekte woeste gronden (veenmoeras), waar turf uit te winnen was, mits er afwatering mogelijk zou zijn en er een goede infrastructuur voor de afvoer ervan zou zijn. Dat was echter niet het geval en de aanleg ervan was dermate kostbaar dat Van Dekema dat niet kon bekostigen en de landen doelloos bleven liggen. Daar kwam verandering in, toen hij op 5 januari 1546 met zijn oom in de Domkerk van Utrecht door Karel V tot ridder van de orde van het Gulden Vlies werd geslagen. Bij die gelegenheid waren er verscheidene hoogwaardigheidsbekleders uit die stad aanwezig en daaronder waren ook burgemeester Johan van Cuyck Anthonisz. en (schepen?) Floris Foeyt.

Dit waren beiden mannen met het nodige geld en zo is het na de nodige besprekingen op 24 juli 1551 tot de oprichting van een Veencompagnie gekomen, waarbij de beide Utrechtse heren het geld leverden (Van Cuyck 1/2 en Foeyt 1/4) en van Dekema het werk ging doen. Dat  bestond uit het aankopen van woeste (te vervenen) gronden voor de Compagnie in de dorpsgebieden van verschillende Schoterlandse dorpen (Oudeschoot, Brongerga en verder oostelijk), maar ook in Opsterland en Haskerland (Nijehaske).

 

     

 

Hoe was het nu met het gebied, waar deze aankopen werden gedaan, gesteld ? Het was een vrij woeste streek met onontgonnen gronden, die vaak onder water stonden. Er doorheen liep een oude noord-zuid verbinding, de zogenaamde  Gravinneweg ( misschien van ”gravene wegh” afgeleid).In deze streek werd dit pad - want  veel meer zal het niet zijn geweest - ook wel Drachte genoemd, evenals het eraan evenwijdig lopende riviertje dat veenwater afvoerde richting het Sneker Meer (bij Terkaple langs). De naam zou kunnen zijn afgeleid van ”overdracht” van grond uit het riviertje, gebruikt ter ophoging van het weggetje erlangs.

 

 

 

Vanuit het noorden kronkelde de Drachte van het Haskerconvent ( ter hoogte
van de huidige kapel van Haskerdijken ) via de latere Leeuwarder Straatweg

(deels), de Fok, Achter de Kerk, Vleesmarkt en de Dracht richting Oudeschoot.
De weg liep vanaf de latere Hoofdbrug vrijwel loodrecht naar het klooster van
Oudeschoot, 
dat even ten westen van de oude Wolvegaasterweg net ten
noorden van de Tjonger lag. 

Daar maakte de weg een bocht om het klooster heen en lag er een brug
over de Tjonger (door de kloosterlingen onderhouden).
In 1542 nog lag er tussen Oudeschoot en de Terbandster molen, die stond
waar nu ongeveer de J. H. Kruisstraat van de Fok aftakt, helemaal niets dan
woeste landen.

In dit veengebied waren talrijke ondiepe kuilen, waarin water bleef staan.
Dit waren de zogenaamde veenmeertjes, vaak niet dieper dan enkele decimeters.
Het water dat hieruit overliep, stroomde via enkele waterloopjes - waaronder de
Drachte - naar het lager gelegen noordelijk deel (Aengwirden en Opsterland) en
kwam voor een belangrijk deel in de Boorne terecht. Hoewel we uit de aankoopbrieven
van de Compagnons heel wat
toponiemen en aanduidingen over de ligging van
percelen kunnen halen, was er tot nu
toe nog geen kaart van het gebied gemaakt.

Wanneer we de aankopen onder het behoor van het dorp Oudeschoot beschouwen, is bekend dat de hoeven, waar het land onder behoorde in oost-west richting lagen, meest langs de Schoterlandse weg. Het bijbehorende land strekte zich dan in evenwijdige stroken naar het noorden uit tot de "veenscheydinghe" de grens van Schoterland, het Haskerland en Aengwirden. In het achterste (noordelijke) deel van die landen bevond zich het veen dat werd aangekocht. Daarin werden de opvaarten van de nieuw gegraven Compagnonsvaart (waarover dadelijk meer) aangebracht, zodat ook die evenwijdig noord-zuid lopen. Wanneer we echter de kadasterkaarten uit het begin van de vorige eeuw bekijken, blijken daar nogal wat onregelmatigheden in het patroon voor te komen. Dit gaf mij het idee deze onderbrekingspunten eens met elkaar te verbinden en toen ontstond een beeld van een groot veenmeer met enkele waterlopen. Was dat de vorm van het vroegere "tGrote Meer", waarnaar 't Meer werd genoemd en dat na 1564 in twaalf wijken werd ontgonnen? Het heeft er alle schijn van, omdat ook de hoogtelijnen in het beeld passen en verschillende toponiemen te plaatsen zijn. Wanneer men zich realiseert dat de aangekochte gronden in drie groepen zijn te verdelen, nl. die met als zuidgrens de "Meersgruppel”, de "Zuidermeerswal" en de leidijk (een laag dijkje tegen overstromingen van de landerijen meer zuidelijk) wordt e.e.a. nog overtuigender. Deze gebieden besloegen in de breedte omgerekend resp. ca. 1100, 1400 en 475 meter, wat uitstekend klopt met ons kaartje. Ook de lengte van de zogenaamde Korte Venen (202 roede = ca. 790 m.) klopt vrij goed en in het meer lagen volgens ons kaartje vijftien wijken, wat eveneens met gegevens van even na 1600 overeenstemt.

De gestippeld op het kaartje weergegeven Compagnonsvaart en Herensloot werden in de jaren na 1552 door de Compagnie aangelegd. In vijf jaar tijd had men al een lengte van van anderhalf uur gaans gegraven. Met het aankopen van veengrond ging men door, hoewel het in eerste instantie daarvoor beschikbare geld al snel op was doordat de prijzen stegen (men kreeg in de gaten dat er geld mee te verdienen was, omdat de heren Compagnons een aaneengesloten gebied wilden hebben). Een nieuw contract werd al op 11 juni 1552 gesloten, waarna Van Dekema door kon gaan met de hulp van Melchior de Grote, de Commandeur van het klooster te Oudeschoot. In de loop van de jaren staken ook andere heren uit Holland en Utrecht geld in de Compagnie, zodat er wat dat betreft geen problemen waren. Een probleem was wel de afvoer van de turf. Na de eerste plannen van een vaart richting het Tjeukemeer, was men de Herensloot gaan graven in de richting van Terkaple. Dit water sloot bij Haskerdijken aan op het Monnikerak, dat door de kloosterlingen van het Haskerconvent was uitgediept. Met het rechttrekken van de oude, kronkelende Drachte nam de waterafvoer toe en daardoor ook de wateroverlast voor de omliggende landerijen. Zo ontstonden er moeilijkheden voor de Compagnons, toen men in 1563 een proces hierover tegen hen aanspande. Het vele en zure veenwater verpestte de landerijen rond Nijehaske en Haskerdijken en de bezitters ervan betwistten het recht van de Compagnons om de vaart uit te graven. Toen men in 1566 de Compagnonsvaart tot in het zogenaamde Brandemeer - een groot veenmeer onder het behoor van Brongerga - had gegraven (tot De Knipe ongeveer dus) en men ook de bovenloop van de Drachte had gedempt, kwamen de twisten tot een hoogtepunt. Nog meer veenwater stroomde nu naar het noorden en ook de bewoners van Oudeschoot kregen nu last van wateroverlast doordat de Drachte niet meer het water afvoerde. Degenen die het proces tegen de Compagnons voerden, hadden geen vertrouwen in de behandeling van de zaak door het Hof van Friesland, omdat enige leden daarvan (waaronder Van Dekema !) belangen hadden in de Compagnie. Uiteindelijk werd het dan ook een Landszaak en in Brussel moest men zich met de zaak gaan bezighouden. Nu had men daar wel wat anders aan het hoofd (beeldenstorm !) en de tijd zat de heren Compagnons dus mee. Het overlijden van Pieter van Dekema op 17 augustus 1568 belemmerde hen niet, want juist in de periode 1568 tot 1578 kreeg het Hof een grotere invloed op de gang van zaken in Friesland en daarin zaten nog meer belanghebbers dan Van Dekema alleen. Wat wel een negatieve invoed had, was de oorlog met Spanje ofwel de Opstand. In 1572 waren er al wel plunderingen in deze streek en tijdens het beleg van Steenwijk was dit gebied oorlogsterrein (1580-1581) en zal het werk wel volledig stil zijn komen te liggen.  De zogenaamde Leycesterse twisten, die zich met name in de stad Utrecht voltrokken, deden ook geen goed aan de Compagnie, omdat juist daar veel van de geldschieters zaten. Hoewel er na de herovering van Steenwijk (1592) en Groningen (1594) veel meer rust in deze streken kwam en men de kerken niet meer met soldaten tegen invallen van Spaanse troepen behoefde te bemannen, hebben deze twisten zeker tot ongeveer 1610 een nadelige invloed gehad op de werkzaamheden van de Compagnie.

Wat betreft de bebouwing op de plaats waar nu Heerenveen ligt, is helaas niet al te veel bekend. We weten dat er een grote strook grond ten noorden van de latere Lindegracht en ten oosten van de latere Herensloot was, die Geerts Willigen heette en waarop een boerderij stond (Geerts Willigen betekent zoveel als de wilgen van Geert, dus kennelijk stonden die hier. Ook elders stonden die gezien het toponiem Wijlichpoel ofwel wilgenpoel). De Compagnons kochten deze strook grond aan en er kwamen vijf huizen op te staan - op die plaats is nu de westelijke gevelwand van de Vleesmarkt (tussen bakker Wijnia en de vroegere oudheidkamer). Een deel van die grote strook land werd aan Jacob Buijrevelt gegeven, die veenmeier van de Compagnie was en voor het graven van de Compagnonsvaart zorg droeg. Zijn gebied strekte zich uit ten oosten van de Vleesmarkt, tussen de Lindegracht en de Kerkstraat, die toen nog "wechg van Geerts Willigen" genoemd werd. Op dit terrein stond ook de boerderij van Buijrevelt en in 1587 gaven enkele van de Compagnons (aan wie het eigendom was teruggevallen) aan Jan Corsz. een stuk grond in erfpacht, waarop een groot huis (hoek Vleesmarkt / Lindegracht) en enkele kleinere stonden en die op Buerevelts hofstede en Geerts Willigen waren gelegen (oostrand van de Oude Koemarkt / Vleesmarkt). Er moeten al vrij snel enige huizen aan de latere Lindegracht hebben gestaan, daar er in 1594 al sprake is van een noord-zuid lopende steeg op Buerevelts hofstede. Deze lag ten noorden van de "gemeene twie roeden", waaronder werd verstaan een strook grond langs weerszijden van de nieuwe  Compagnonsvaart van die breedte (ca. 7,8 m.), die de Compagnons zelf in eigendom behielden om zo een trekweg / laad-en loswal te houden zonder bebouwing.

In ditzelfde gebied moeten ook de brouwerij van de Compagnie, met het kantoortje van Octavianus, hebben gelegen. Bij een deling in de  Compagnie, die regelmatig nodig was om duidelijk te maken wie nu welk aandeel in het totaal bezat (en dat werd op den duur zeer verwarrend met de vele aandeelhouders !) in 1571 opgemaakt, bestond de brouwerij al. Waarschijnlijk is die een van de eerste voorzieningen geweest, die de Heren voor de arbeiders lieten bouwen, omdat bier zowat de enige drank was die men zonder gevaar voor de gezondheid kon drinken (het was dan ook de meest algemene drank in die tijden). De brouwerij moet ergens bij het begin van de Kerkstraat hebben gestaan. In diezelfde verdeling van 1571 is er ook sprake van het "Lange Gemeenhuijs" naast een "kamer" van Jacob Buijrevelt. Dit zal een groot huis zijn geweest waarin de belangrijkste van de mensen die in dienst van de Compagnie waren konden verblijven. We vermoeden dat dit huis gestaan heeft op de plaats waar nu onder andere Paul Kruger staat, omdat daar een huis heeft gestaan, dat aan de vorm die we ons er bij voorstellen voldeed.

Aan het latere Van Harenspad stonden in 1571 ook enkele huizen van belang. Vanaf de Hoofdbrug was het eerste dat van Gerrijt Craack, welk huis met sloten was omringd en waarbij ook het boerenbedrijf zal zijn uitgeoefend. Craack was ook in dienst van de Veencompagnie en is de voorvader van het latere zo belangrijke geslacht Crack. Daar hij voor 1566 al was overleden en nu alleen zijn nabestaanden het huis nog bewoonden, werd het toegewezen aan mevrouw Van Loo, de weduwe van Pieter Van Dekema. Zij kreeg 500 gulden toe en deed daarmee afstand van haar aandeel in de andere gemeenschappelijke gebouwen die toen werden verdeeld. Toen mevrouw Van Dekema het huis betrok in 1572, had zij de sloten tot grachten laten verbreden door Tiaerdt Gales (de stamvader van de van Heloma's) en van die tijd af werd er gesproken van de Dekemahofstede. Na haar behoorde haar zoon Rienck van Deeckema het huis. Dit was een kleurrijke figuur, die aan Spaanse zijde had gevochten maar later berouw toonde en de eed van trouw aan de Republiek aflegde. Hij kreeg zijn bezit toen terug en vestigde zich te Heerenveen; naar alle waarschijnlijkheid bleef hij wel katholiek. In 1608 werd het huis door ridder Pieter van Regemortes, de man van Reinsck van Dekema, gekocht. Veel later kwam het huis in handen van de van Scheltinga's die het in 1789 verbouwden en uiteindelijk in 1835 op afbraak verkochten. Het jaar daarop verdween het voorgoed. Het huis stond ter hoogte van de garages achter het hoekpand aan het Gemeenteplein.

 

 

 

Scheltingahuis, gebouwd in 1789, afgebroken in 1835

 

Bij de verdeling van 1571 is er nog niet sprake van de zogenaamde Moerborgh, maar in 1586 bestond die wel. De aandeelhouders Cuyck en Foeyts bezaten dit huis vóór 1596 en daarna kwam het aan de zgn. Medemblickse Compagnie, een van de nieuwe aandeelhouders. In 1612 kwam het aan Joan van Lewen en in 1617 aan jonker Gerrijt van Sickingha, beide ook aandeelhouders. In 1617 werd het bewoond door Brecht Claesdr., de weduwe van de al genoemde Tiaerdt Gales (Van Heloma). In 1632 kocht Jacques van Oenema, een militair, het geheel en deed het meteen over aan Amelius van Oenema, de grietman, én zijn broer. Deze zou het in 1640 hebben laten verbouwen tot de ons van achtiende-eeuwse prenten bekende vormIn 1663 werd het plafond door M.van Pelckum beschilderd (nu nog te bewonderen!) en in 1876 volgde de verbouwing tot de huidige vorm. Wij kennen het als resp. Oenemastate, Heerenkamer en Het Gerecht sinds 2012, maar de naam Moerborgh (= Veenhuis) is m.i. wat origineler en in elk geval historisch verantwoord, omdat hij al voor 1600 bestond.

 

 

 

 

Over het latere museumgebouw zal ik niet verder uitwijden, daar Barteld de Vries van het Rijksarchief daarover reeds en boekje schreef (Taconisreeks nr. 1) waarin alles werd opgetekend wat bekend is. Wat wel interessant is, is het gebied wat nu de  oostkant van de Dracht is. Dit werd voor 1600 betiteld als de Havercamp en we kunnen dit rustig letterlijk nemen, daar deze strook grond nog onbebouwd was. We weten dat Tiaerdt Gales de grond hier in 1571 bebouwde en dat Roelof Gerrits (Crack) de gehele strook in 1587 in bezit kreeg. Hij gaf deze in gedeelten uit in erfpacht, waarna er huizen op werden gezet. Bekend zijn zo erfpachten van 1589, 1592 en 1594. In 1597 zullen er een kleine tien huissteden aan de oostkant van de Dracht hebben gelegen. In 1609 stond er helemaal aan de noordkant van de Havercamp een huis, dat door de grietman Tincke van Oenema (vader van de al genoemde Jacques  en Amelius) werd bewoond. Omtrent dit huis, later Dracht 1 en dus het pas afgebroken hotel Groen, weten we dat het naar alle waarschijnlijkheid door de grietman is gebouwd, daar Cornelis Roeloffsz. (Crack) hem grote hoeveelheden stenen leverde in 1594 en toen ook brood leverde aan het "volck" dat van Oenema in dienst had (voor de bouw?).

Op 22 februari 1598 had Cornelis nog een afrekening met Tincke "van den stede hij van mij gecoft heeft" en ook ontving hij erfpacht van de "huisstede daer die grietmans huijs op staet". De latere lotgevallen van het huis zijn nog wat onduidelijk, maar in 1748 was het van Menno Coehoorn van Scheltinga, grietman van Schoterland (dwz. een soort rechter / burgemeester). Deze verkocht het 22 mei van dat jaar voor 5500 gulden aan de volmachten van de Slijkenburger Zijl, terwijl hij het aan de oostkant gelegen huis, dat we hiervoor al bespraken (Dekemahofstede), zelf behield. We hopen later nog op de lotgevallen van het pand Dracht 1 terug te komen.

Wat de westkant van de Dracht betreft, deze was vanouds eigendom van het klooster van de Duitse Orde te Oudeschoot. Deze "Commanderije" had een enorm lange strook grond, die onder andere de tegenwoordige wijk De Akkers besloeg en in het noorden doorliep tot Achter de Kerk en ook een klein stuk van de Herenwal besloeg. De breedte van deze strook was in 1580 zo'n 40 roeden (ca. 156 m.) en hij werd door "drey dyversse personen" gebruikt. Als gebruikers vonden we daarbij Isbrandt Lam te Utrecht, Peter van Dekema (zal zijn nazaten moeten zijn) en Claess Hermansz., terwijl de eerste in 1581 door een Brandenburg is vervangen. Dat zal Reyner Eylerts zijn geweest, die een groot, met grachten omgeven huis bewoonde in dit gebied. Gezien een kaartje uit ca. 1610 zal dat ter hoogte van het latere "Groote Huys" (nu Kuiper assurantieën) moeten zijn geweest. Op datzelfde kaartje blijkt ook, dat er later vier huizen aan de Herenwal onder de Commanderije vielen. Ook de in 1637 gebouwde Schoterlandse kerk stond op grond, die voorheen van de Commanderije was geweest.

 

 

Alle huizen die aan de westkant van de Dracht werden gebouwd, moesten oorspronkelijk grondpacht aan de Commanderije betalen (hoewel Reynier Eylerts [Brandenburg] die enige tijd in bezit heeft gehad), die na de reformatie gewoon bleef bestaan als instelling van niet geestelijke aard. Het was in het begin maar een eenvoudige boel aan de westkant van de Dracht, getuige de vermelding van o.a. een "huijs ofte hutte" die in 1602 voor 18 (!)gulden werd verkocht. Het hoekhuis aan de Dracht en het Breedpad was daarop een uitzondering, want daar woonde de veeneigenaar Harmen Hendriks. Die verkocht het huis voor 770 gulden in 1604 aan Jan Foeckes, die het weer ruilde met een huis in de in 1580 aangelegde Bantsterschans in 1605 (nieuwe eigenaar: Eewe Tiercksz.) Ook op het Breedpad had Harmen Hendriks nog een huis en daar stonden er waarschijnlijk ook nog enkele (tussen de Dracht en de Molenwijk). Op de Dracht woonden toen vanaf het noorden Harmen Hendriks, Hans van Oldenborch, Dirk Theunis en Claes Pieters, waarna een sloot volgde. Zeker is, dat de westkant van de Dracht in 1600 veel meer bebouwd was als de oostkant, maar over het aantal huizen is het (nog) niet mogelijk een uitspaak te doen.

De bebouwing van de Herenwal en de Fok zal uiterst miniem zijn geweest in 1600, alleen ter hoogte van de Terbandster schans (Dubbele Regel) zal wel bebouwing zijn  geweest. Hoewel Heerenveen als plaats toen eigenlijk nog tot ontwikkeling moest komen en er ook nog geen kerk was (men ging ter kerke in Oudeschoot), was er al wel een korenmolen gesticht. Deze was in 1598 op een stuk grond van Crack (dus aan de oostkant van de Dracht?) gesticht, met een belangrijke voorfinanciering door diezelfde Crack. De molen was geen lang leven beschoren, maar omdat er in 1612 aan de westkant van de Dracht een andere werd gesticht (daar stond een molen tot 1880) bleef die voorziening toch behouden en was men onafhankelijk van de molen van de Schans.

 

Het eerste begin van Heerenveen is zo geschetst. In de jaren 1615 en later werd er druk bijgebouwd in Heerenveen. en er waren rond die tijd ongeveer 127 lidmaten van de in 1613 gestichte kerkelijke gemeente, zodat er enkele honderden inwoners zullen zijn geweest. Dat wisselde ook nogal, omdat er in het seizoen honderden turfgravers uit Groningen, Drenthe en Overijssel naar deze streken kwamen. Zo ontstond de bloeiende "vlecke", die later de bijnaam "het Friese Haagje" verdiende. Die verdere ontwikkeling valt echter buiten het bestek van deze verhandeling, zodat we het hier bij willen laten.

 

Heerenveen, 2 februari 1987

drs. D.M. Bunskoeke