HIP-TIME MAGAZINE 25

 

Ja hoor, de fotograaf is weer op het begin van de Heerenwal om een opdracht uit te voeren voor een plaatselijke boekhandel. Hij heeft zijn oog laten vallen op het beeld van de straat langs de Hervormde Kerk, de kerk zelf, de hoofdbrug, de boten aan de Breedpadkade, en een groot deel van het Breedpad zelf. De bladerloze bomen wijzen op een late herfst, mogelijk een voorlopig ijsloze winter. De lichte rimpelingen in de Heerensloot maken van het spiegelbeeld van gebouwen, geboomte en vaartuigen, samen met het licht een boeiend schouwspel. De jeugd heeft daar absoluut geen boodschap aan. Zij willen op de foto ! De jongens zittend op de leuning van de uitloop van de Heerenwalsterbrug. Het kindermeisje met de kinderwagen en enkele supporters staan zo dicht mogelijk bij de aflopende kade naar de Heerensloot.

Het contour van het eerste deel van het Breedpad laat ons nog juist een glimp zien van de licht achteroverhellende schoorsteen van de herberg van Prinsen (thans Nicolai). Er is dus nog niet verbouwd en dat wijst op een foto van vóór augustus 1905. De informatie bevestigt deze datering; achter op de foto staat ± 1900 en zit uiteraard in het fotoarchief van Museum Willem van Haren onder nr. 179.

Experimenterend met een plattegrond van 1887 moet de conclusie zijn, dat de zichtlijn langs het hoge gebouw bij de Hoofdbrug (Heerenlogement) ons het eerste postkantoor aan de oostkant van het Gemeenteplein op het netvlies projecteert.  Het jaartal ± 1900 houdt voor dat gebouw in, dat het reeds is uitgebouwd met de serre. Dat is namelijk tot stand gekomen in 1894.

Aangezien op deze foto het zicht op de Nederlands Hervormde Kerk (Schoterland, na 1934: Heerenveen) vanwege het seizoen praktisch onbelemmerd is, willen we daar even op inzoomen. De eerste dienst, waarbij de lidmaten en genodigden door de monumentale deur via de hal naar hun zitplaats mochten gaan om de door ds. Jan Frederik Corstius geleide dienst in 1859 te beleven is helaas niet aan ons overgeleverd door J. Bruinsma in zijn geschiedschrijving van 1926.  Gelukkig bevat het missiveboek van de kerkvoogden een afschrift van de uitnodiging aan het Gemeentebestuur van Schoterland. Zij worden uitgenodigd op zondag 18 december 1859 de plechtige inwijdingsrede mee te maken. Aan die datum is een periode van voorbereiding voorafgegaan van ruim 15 jaar.

Op 14 januari 1844 wordt door een commissie “ter beproeving ener vrijwillige intekening” in de vergadering van kerkvoogden en notabelen meegedeeld, dat Z.M. 6000 gulden heeft toegezegd voor de ‘vergroting’ van de kerk. De dag daarna komen beide colleges opnieuw bijelkaar om vroeger ontworpen plannen en tekeningen te beoordelen. Men wordt het daarover niet eens en besluit de heer M.G. Tetar van Elven, architect en directeur van de Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam te schrijven of hij wil adviseren. Deze zegt zijn medewerking toe en dan ontspint zich in de loop van de jaren een merkwaardige ‘soap’ van aangenomen én verworpen plannen op basis van schitterende ontwerptekeningen, definitieve én gewijzigde begrotingen, aangetrokken én afgewezen adviseurs, ingediende én geweigerde nota’s.  U moet ons geloven als we u vertellen, dat die ontwerptekeningen een lust voor het oog zijn en zelfs zijn in te zien in het gemeentearchief van Heerenveen. Daar is het volledige kerkelijke archief van de Nederlands Hervormde gemeente in beheer, inclusief die ontwerptekeningen.

Uiteindelijk is duidelijk geworden, dat de ‘oude’ toren op het midden van de ‘kruiskerk’ moet worden afgebroken; de hoeken van de oorspronkelijke ‘kruiskerk’ worden bij het grondoppervlak getrokken en de nieuwe toren wordt aan de westzijde gesitueerd. Dat laatste lost in ieder geval het probleem van het onderhoud van de (dorps)toren, die voor rekening hoort te komen van de gehele gemeenschap (dus het grietenijbestuur van Schoterland), volledig op. De klokkeluider voor het dagelijkse luiden en voor de begrafenissen is namelijk in dienst van de grietenij. Het luiden voor de kerkdienst kan gerust een andere persoon zijn, die wordt immers betaald door de kerkvoogden.

Gedurende de verbouw van de kerk heeft op de zuidwestpunt van het kerkterrein een houten hulpkerk gestaan, zodat de diensten wel konden doorgaan. Voorafgaand aan de verbouw is overigens door de kerkvoogden medewerking aan de gemeente Schoterland gevraagd tot verplaatsing van het kerkhof. Ruim twintig jaar eerder is er al besloten dat er in de kerken niet meer mocht worden bijgezet. Zelfs in een ingekomen stuk in het archief van Schoterland uit juli 1811 (SCO 12) wordt als resultaat van een inspectie al aangegeven, dat het kerkhof bij de ‘kruiskerk’ te Heerenveen zal moeten worden vervangen. Namens Baljuw en het gemeentebestuur tekenen loco-president Giel Cornelis van den Bergh en gezworen klerk Sieds Pieters van Goinga dit stuk. De zoektocht naar een nieuw geschikt stuk grond kan beginnen, maar heeft heel lang geen resultaat. Wel wordt het kerkhof onderhanden genomen door ondermeer grond aan te voeren voor het ophogen van het terrein.  In een vergadering van kerkvoogden en notabelen van 9 februari 1849 deelt J. Barends officieus mee, dat voor een nieuwe burgerlijke begraafplaats grond is gekozen in het oostelijke deel van de gemeentetuin. Dat plan wordt uitgevoerd en het wordt mogelijk gemaakt daar ook te worden herbegraven op basis van eigendomsverklaringen van eigenaren van graven op het kerkhof. Zo zijn Hendrik Tuijmelaar (1755-1829) en zijn echtgenote Antje Siebes Beerta (1749-1827) overgebracht naar perk A, grafnr. 69 en 70 op de nieuwe begraafplaats.

Thans, 2012, ligt in het parkje Achter de Kerk, herstel Amelius van Oenemapark - weliswaar dicht in de buurt van de plaats, waar het ooit aan de toren is ingemetseld geweest - de herdenkingssteen van de verbouw in de reconstructie van het kerkkruis met de restanten van de stenen, welke ooit in de kerk hebben gelegen. Het is nu nog goed leesbaar, maar de behandeling na de afbraak van de toren heeft zijn sporen zichtbaar nagelaten.

Het rijtje huizen aan de Aengwirder zijde van de grens hebben omstreeks 1900 bepaald ook bijzondere bewoners. Het pand pal naast het Posthuis, waar op 19e eeuwse schilderijen de stal van het Posthuis staat, is omstreeks 1890 vervangen door de bank van de Gebrs. Mispelblom Beijer. Leonard Louis Ferdinand, die al enige tijd in Heerenveen functioneert als postdirecteur, wordt de vertegenwoordiger van deze Leeuwarder kassiers-en bankiersfirma in Heerenveen. Wanneer hij in 1894 vertrekt naar Leeuwarden en de directeursfunctie wordt bekleed door Jacob Hendrik Bekkering wordt gesproken van een correspondentschap van de Nederlandsche Bank. In 1902 wordt de vennootschap tussen Mispelblom Beijer en Bekkering ontbonden. J.K.H. Enderlein, officier van justitie, heeft er tevens iets meer dan twee jaar (juni 1900- juli 1902) gewoond.

In het eerste lagere huis heeft slager Andries de Jong veel strijd moeten voeren om zijn slagersbedrijf daar te kunnen uitoefenen. Bij iedere gelegenheid wordt hem door de omwonenden duidelijk gemaakt, dat zijn ambacht niet zal worden getolereerd. De eerste hinderwetvergunning wordt in 1879 door hem vergeefs bevochten tot voor de Raad van State. Maar hij is een vasthoudend man. In 1892 is de weerstand opnieuw groot, maar deze keer verwerft hij wel zijn vergunning. Bovendien is hij iemand die de discussies niet schuwt.  De Jong vraagt zich in het Nieuwsblad van Friesland van 27 september 1902 openlijk af - nadat Smilde eerder dat jaar in Leeuwarden een zilveren medaille heeft gewonnen voor haar product Natura - wat het onderscheid is tussen gesmolten potvet en gesmolten vet in blik. Er volgt een polemiek met advertenties en ingezonden brieven o.a. in rijmvorm. Jammer dat daarvan in het geheel niets is terug te vinden in de geschiedschrijving van het vetsmelten door de firma Smilde.

Het volgende huisje ten oosten heeft volgens de waterleidingkaart van 1913 het kadastrale nummer A-4981. Dat nummer is in het dienstjaar 1883 toegewezen aan het pand van Gerben Pieters Postma, die met huisschilderen, maar ook met fotograferen zijn kost verdient. Deze combinatie van beroepsbezigheden schijnt vaker voor te komen, juist omdat de fotografie vroeger zeer veel ambachtelijke aspecten heeft gehad: ontwikkelen, afdrukken, retoucheren, e.d. Ten tijde van deze foto is het pand in gebruik bij de fotografiefirma De Jong, die in Leeuwarden en Sneek vestigingen heeft. Heerenveen is volgens de advertentie uitsluitend zaterdags en zondags geopend. Wist u overigens dat oud-Heerenvener Piebe Krediet een fantastische reclametekening heeft gemaakt van de drie De Jong vestigingen. U kunt dat bewonderen op pagina 8 van de Leeuwarder Courant van 19 mei 1903. De website ‘De Krant van Toen’ biedt u de mogelijkheid daarvan te genieten. (www.dekrantvantoen.nl)

Als een van de laatste commensalen van Gerben Pieters Postma is de klerk Ids Reinders Mulder er kamerbewoner geworden. Hij dingt in 1885 met succes naar de hand van Ypkje Maria Postma, dochter van zijn kostbaas. Mulder gaat het huis bewonen en verhuurt de fotofaciliteiten van zijn schoonvader aan de firma de Jong. Althans ... dat lijkt een logische verklaring voor de gang van zaken. Later wordt hij in het bevolkingsregister tot 1920 aangeduid als: notaris (of moet dat misschien notarisklerk zijn?), terwijl in het eerste adresboek van 1922 als zijn beroep ‘winkelier’ wordt aangegeven. Het huidige nummer Achter de Kerk 10 is dezelfde locatie en is de vestiging van ‘Pepe & Coco’, een restaurant bar-lounge met internationale keuken.

Als u denkt ‘Heb ik die foto niet al eens eerder gezien ?, dan moeten we u gelijk geven. David Hartsema heeft het ruim 20 jaar geleden namelijk ook als illustratie geplaatst bij een artikel in de Koerier van 21 december 1988: "Het leven in Heerenveen rond 1850”. IJverige verzamelaars van historische informatie zullen het ongetwijfeld hebben uitgeknipt.

2012, sept. 1 - wibbo westerdijk - hip-backup