HIP-TIME MAGAZINE 72   

Eigenlijk is dit een zeer bekende afbeelding van het Heerenveen uit de eerste twee decennia van de 20e eeuw. Toch zullen weinig  Heerenveners dit beeld met eigen ogen hebben kunnen waarnemen. Waarschijnlijk zijn daarvoor winterse omstandigheden met een  flinke ijslaag in de gracht een voorwaarde geweest. Immers, ten tijde van het maken van deze foto is het deze gracht, die stromend vanaf  de Molenwijk naar het westen ter hoogte van de in 1921 aangelegde Compagnonsstraat een bijna haakse bocht maakt om naar het  zuiden richting Oudeschoot haar loop te vervolgen. In die bocht wordt bij de toekomstige bebouwing - eerst op de oostelijke oever langs de  Van Dekemalaan - een houten bruggetje gelegd ter ontsluiting van het gebied.

 Onze fotograaf - de arts Hubert Adriaan Veltman - heeft zich de moeite moeten getroosten in het vinden van de goede plaats voor zijn  opname. Het zou heel goed kunnen, dat hij via de Van Cuyckstraat het daar ten zuiden van liggende weiland heeft doorgebaggerd om op  de oostelijke oever daarvan zijn statief te kunnen plaatsen. In dat geval ziet hij kans om alle interessante gebouwen in beeld te krijgen. Dat  het een inspirerende foto is gebleken weten we nu ongeveer honderd jaar later, omdat zijn glasdia’s zijn opgenomen in het Frysk Fotoargyf  (Tresoar) en specifiek deze onder het codenr. Veltman-67. Afdrukken van zijn foto’s zijn ook in het archief van het Museum Willem van  Haren te vinden. De tekenaar ‘Kropp’ heeft er in de jaren dertig de inspiratie uit geput om het beeld te transformeren tot een prachtige ets,  welke als bezit van het museum onder inventarisnummer 566A op een formaat van 14 bij 19 cm en de titel ‘Gezicht op de Molenwijk’ in 1  992 een plaats heeft gevonden in het jubileumboek ‘Vereeuwigd’ (blz. 67).    De foto-afdruk van 7.9 bij 10.7 cm in het museum Willem van   Haren is terug te vinden onder nr. 03802, terwijl in het Tresoar de glasdia wordt beschreven met het formaat 7 bij 8 cm. Tot onze grote  verwondering wordt bij de omschrijving gemeld: “Grachtje of wijk ten noorden van de Kerkstraat te Heerenveen, met op de achtergrond de  watertoren” en als datering een zeer ruime periode van “1915 - 1940” gehanteerd. Eigenwijs als we zijn, denken we dan: ‘Dat kan beter !’

 Laten we daarom beginnen met te bevestigen, dat de watertoren op 5 mei 1915 door een journalist van het Nieuwsblad van Friesland  wordt beklommen. Zijn euforisch enthousiasme wordt nog slechts gedempt met de mededeling, dat de motoren - die uit Duitsland  moeten komen - nog niet zijn geleverd. Er woedt immers een oorlog en deze frustreert de levering van koel, helder water. Die situatie lijkt  zelfs de animo van particulieren om zich als afnemer aan te melden sterk te beinvloeden. Half juni 1915 kan de krant melden, dat de  monteurs bezig zijn de pompen te installeren.

 Voor de datering van deze foto is dit een belangrijk ankerpunt. Een tweede vinden we in de aanwezigheid van het ‘tuinhuisje’ of ‘prieeltje’  achter in de enorme tuin van het ‘Grote Huys’ aan het Breedpad nr. 616 (1916). Eind juni 1916 veilt notaris Oppedijk het nagelaten bezit van  Hobbine Daniela van Heloma, die 29 oktober 1915 is op 73 jarige leeftijd is overleden en wordt het grote perceel gesplitst.

  De nieuwe eigenaren zijn mr. Tiete Solke Tromp, president van de Rechtbank te Heerenveen, en de Vennootschap onder firma Jager en  Wierda, autohandel en garagebedrijf te Heerenveen. Deze transactie is de ouverture voor grote veranderingen van dit gebied. Het bezit van  Jager en Wierda wordt grotendeels gekocht door de Gemeente Heerenveen, die aan de Bouwvereniging Heerenveen op 8 december 1920  vergunningen verstrekt voor de bouw van 14 en 21 (twee typen) arbeiderswoningen. Daarvoor wordt aan de westkant langs het huis van  mr. Tromp een straat aangelegd, die op verzoek van de Bouwvereniging de ‘Compagnonsstraat’ wordt genoemd. Dat wordt bij  raadsbesluit van 5 october 1921 bekrachtigd. De aldaar door architect A. Baart uit Leeuwarden ontworpen huizen staan de laatste tijd in de  belangstelling vanwege hun beeldbepaalde status als ‘tuindorp’-ontwerp, waarvoor door de gemeente een beschermde regeling is opgesteld. Als U de situatie van het in aanbouw zijnde plan van 1920 nog eens wilt bekijken, dan moet U het fotoboekje “Een wandeling door Oud-Heerenveen” er nog eens even bij pakken. Vanuit dat perspectief ziet U o.a. nog de restanten van het tuinhuisje. Ook kunt U zich dan verbazen over de aanwezigheid van reeds een aantal gereedzijnde woningen aan de Van Dekemalaan-oostzijde. De noodzakelijke ‘knik’ in de Compagnonstraat terwille van de aansluiting op de Van Dekemalaan moet nog worden aangelegd. In hetzelfde fotoboekje op de bladzijden 57 en 58 ziet U vervolgens hoe die aansluiting vanuit twee gezichtspunten werkelijkheid is geworden.

Wanneer U opnieuw kijkt naar het rustgevend tafereel van deze foto is het moeilijk te bevatten, dat de bebouwing rechts van de dwarsgracht in het begin van de 19e eeuw moet worden beschouwd als het tweede ‘industrie-terrein’ of  - in de taal van die tijd - ‘nijverheidsterrein’ van Heerenveen, waar eerst Geert Andries van der Sluis zijn leerlooierij vestigt op een terrein van 8.00 are en in 1836 zijn schoonzoon Lambertus Feits (getrouwd met Andria van der Sluis) ten zuiden daarvan een 2e leerlooierij sticht. Uiteraard beschouwen wij het gebied van de Badweg-west als het eerste ‘nijverheidsterrein’ vanwege de concentratiedichtheid van molens.

Opvallend op de foto zijn de metershoge bomen (populieren?). Zij staan langs de Propstrasingel  - bakker Albert Propstra bezit rond 1840 twee grote percelen A-390 en A-391 tussen de wal van de oostelijke gracht langs de tuin van het ‘Grote Huys’ en de Molenwijk. Dit voetpad begint als steeg op het Breedpad tussen de huidige huisnummers 15 en 17, volgt de bomenrij tot de dwarsgracht van de Molenwijk en verbindt de noordelijke oever daarvan met de zuidelijke oever door middel van een eenvoudig bruggetje. Daarna loopt het niet geplaveide pad als ‘Krugersdorp’ tussen de voormalige leerlooierijgebouwen en een rij huizen door om vervolgens met een scherpe bocht naar het oosten uit te komen op het brugje over de Molenwijk in het verlengde van de Molensteeg. We moeten aannemen dat dit de ‘Blauwedorpsbrug’ is, zoals het in enkele gemeentelijke stukken voorkomt.

 

Over de naam ‘Krugersdorp’ een anecdotisch aantekening (Nieuw Advertentieblad 13-2-1901: Van Frieschen bodem.): ...”Er woont te Heerenveen geen enkele Transvaler en toch is een nieuwe woningbuurt op de plaats der vroegere leerlooierij gedoopt als Krugersdorp. Om een heel andere reden natuurlijk. De sympathie voor de Boeren doet ‘t hem hier ....” Nu we toch bezig zijn met naamverklaringen - toponiemen dus - is het goed om de betekenis van de term ‘Blauwedorp’ toe te lichten. Dat kan alleen als we U eerst herinneren aan de rij van 20 huizen, die leerlooijer-koopman Feits heeft laten bouwen langs de oever van de Molenwijk voor zijn arbeiders aan de leerlooierij. Deze éénkamerwoningen blijken in de volksmond het ‘Roodedorp’ te worden genoemd, omdat de huizen zijn gedekt met de ‘goedkoopste’ rode pannen. (We hebben daarover in HIP-Time Magazine 21 veel details meegedeeld.)

Jacob Tijssen de Leeuw uit Oudehaske beoogt in 1891 aan de Feitssingel enkele iets betere woningen te stichten en geeft opdracht de daken van een zestal huizen te bedekken met duurzame, blauwe, geglazuurde pannen. Dus ....inderdaad !

Het volgende opvallende gebouw is het enorme pakhuis, dat staat aan het Achterom en ons het zicht op de onderste helft van de watertoren ontneemt. Uit oude archiefstukken komt naar voren, dat koopman Elias Hiddinga op 1 februari 1811 eigenaar wordt van het destijdse huisnummer 241. Hij koopt het van een Lippenhuister handelaar voor 500 gulden. Hiddinga laat een kleine verbouwing uitvoeren, zodat het geschikt is om te worden bewoond door twee gezinnen. Gelijktijdig daarmee is de onderprefect T.M. Lycklama à Nijeholt - daartoe gelast door prefect Verstolk - op zoek naar een geschikte locatie voor een ‘maison d’arrêt’ - een huis van bewaring c.q. gevangenhuis voor de veroordeelden door het ‘tribunal’. Op 5 juli 1811 geeft een aanschrijving van de prefect de opdracht om het gebouw geschikt te maken en zo goedkoop mogelijk te beveiligen zodat de ‘tegenwoordigen Gardiaan’ Willem Jacobs Deukers vaste cipier kan worden. De bewoner Willem Theeuwis (Dekker), arbeider, en zijn gezin moeten geholpen worden aan een ander onderkomen. Dat wordt gevonden in de Kerkstraat, destijds met huisnummer 11.

Zeer informatief is een door de onderprefect opgegeven ‘Lijst der Fournitures, welke dagelijks door den cipier van het provisioneel Maison d’Arrêt te Heerenveen aan de Gevangenen aldaar zullen behoren te worden geleverd’. Roggebrood, boter en geraspte kaas; grauwe erwten met spek, of vlees of vis; gort met boter; elke avond een mengel gekookte karnemelk en dagelijks anderhalf pintje bier en in de zomermaanden drie pintjes.

Ontluisterend is het te lezen over de ‘strijd om het bestaan’ door de cipier, die voor de ‘fournitures’ moet zorgen en zwaar onderbetaald zijn werk moet verrichten. De Regenten of ‘onbezoldigde en weldadige raad voor het gevangenhuis van het Arrondissement Heerenveen’, in de personen: Elias Hiddinga, Hendrik Tuymelaar, Hendrik Taconis, Jan Dornseiffen en Isaac van den Berg, houden de cipier financieel zeer kort en brengen hem tot de bedelstaf. Bovendien wordt hij ziek en overlijdt op 26 februari 1813 op 44 jarige leeftijd. Tot zijn opvolger wordt twee dagen later de legendarische cipier Hermanus Jans Mulder benoemd. In zijn ambtsperiode speelt zich de rechtszaak van de ‘van valsemunterij beschuldigde’ Harmen Wiegers Schraa af, die niet weinig heeft bijgedragen aan de bekendheid van gevangenis en cipier. Schraa heeft in 1807 het logement ‘Huis ten Woude’ tegenover de Rottumerweg laten bouwen, wisselt zijn bestaan als arbeider-turfmaker in voor dat van kastelein, raakt in 1818 betrokken in bovengenoemde rechtszaak mede door een aanklacht van cipier Mulder.  Deze krijgt Schraa gedurende 20 weken in ‘voorarrest’ in het kot van de Molenwijk. Daarna wordt Schraa overgebracht naar Leeuwarden, waar de rechtbank hem ter dood veroordeelt. Het hoger beroep bij het Hof te Groningen leidt in september 1819 tot volledige vrijspraak. Het bijzondere aan dit proces is geweest, dat Schraa zelf zijn verweer op rijm op schrift stelt. In dat geschrift wordt de in zijn ogen ‘ongeschikte cipier’ Mulder door hem ‘Manus de Mennoniet’ genoemd.

Publicist-uitgever Jacob Hepkema heeft ervoor gezorgd, dat zijn sneldrukpers te Heerenveen Schraa de onsterfelijke status heeft bezorgd met boekje: “Harmen Schraa, boerenknecht, turfmaker, kastelein, dichter-gevangene, ter dood veroordeelde en later nog advocaat”.

Met de ingebruikname van Crackstate als Rechtbank en de daarbij inpandige ‘huis van bewaring’ in 1833 krijgt de ‘oude’ gevangenis weer een pakhuisfunctie.

Op 4 april 1894 vraagt Edske Smit Jzn. in een ingezonden stuk in het Nieuw Advertentieblad de aandacht voor een door hem ontworpen kachel geschikt voor turf en een uitnodiging aan de turfmakers een ander model turf te maken. Half mei start hij een campagne voor de ‘Zelfvoedende Spaar-Turfkachels’ voor huiselijk gebruik, die vanaf begin juli zijn te bestellen en in het najaar kunnen worden geleverd. Een prototype is in de fabriek dan al te bezichtigen. In het bevolkingsregister van 1900 staat Edske Smit als fabrikant ingeschreven op het adres Dracht 359, terwijl aan de kant van de Molenwijk op hetzelfde perceel de kachelfabriek is gevestigd. Veel later wordt dat de meubelzaak van Bunt-Matulewicz op Gedempte Molenwijk 25.

HIP-TIME MAGAZINE 72   

2013, december 15 - wibbo westerdijk - hip-backup