HIP-magazine 96

Deze sepiakleurige foto met afgeronde hoeken lijkt te zijn gemaakt ter gelegenheid van de plaatsing en/of ingebruikneming van de ‘dorpspomp’ - links vooraan - op de Oude Koemarkt in Heerenveen.  Dat is ongetwijfeld een bijzondere gebeurtenis geweest. We stellen ons voor, dat de heren initiatiefnemers zich in feestelijke kledij hebben gestoken en de plaatselijke fotograaf hebben verzocht deze gebeurtenis luister bij te zetten door het nemen van een ‘photographie’.  Met op de achtergrond een gemengd publiek van jonge en oudere, vrouwelijke en mannelijke belangstellenden wordt deze gebeurtenis nog onderstreept.

Vroegere leden van de Stichting Oudheidkamer Heerenveen, verantwoordelijk voor het inbrengen van deze foto in de fotocollecte van de Oudheidkamer onder nummer 06897, hebben daaraan een datering gekoppeld van omstreeks 1875. Uit vondsten in archiefstukken komen enkele feitelijke gegevens naar voren, die een bijzonder licht werpen op de betekenis van dit nuttige stuk ‘straatmeubilair’. Uit de gegevens van het onderzoek, die we in de volgende alinea’s beschrijven, willen we graag de conclusie verbinden dat de foto is gemaakt bij de allereerste installatie, maar daarvan is het speculatieve element te groot. Zo vroeg heeft Heerenveen nog geen plaatselijke fotograaf.

De zomer van 1858 blijkt volgens berichten in de Leeuwarder Courant een bijzondere hete zomer te zijn geweest. Door de lange duur van de hoge temperaturen - schommelend in juni en juli tussen 80 en 90 graden Fahrenheit en dus omstreeks 26.6 en 32.2 graden Celsius - ontstaat geleidelijk een tekort aan drinkwater (lees: regenwater). Regenwatersbakken vallen droog en veel helder slootwater is er in de plaats Heerenveen uiteraard ook weinig te vinden. Zowel het gemeentebestuur van Schoterland en in navolging daarvan die van Aengwirden besluiten tot het slaan van een put en de plaatsing van een pomp. Schoterland acht een geschikte plaats vóór het gemeentehuis (Oenemastate) en Aengwirden besluit dat te doen op de zogenaamde ‘Oude Koemarkt’. Van het besluit van de raad van Aengwirden is een verslag weergegeven in de notulen van 17 juli 1858. Het blijkt, dat B. en W. van Aengwirden (AEN 32) het initiatief volgen van Schoterland tot het graven van een put. Aanvankelijk meent burgemeester Van Beyma thoe Kingma aan 50 à 60 gulden voldoende te hebben voor de realisatie, maar aan het eind van het overleg wordt besloten een bedrag van 100 gulden beschikbaar te stellen. Het gemeenteverslag van 1858 - ingezien door David Hartsema in 1987- bevestigt bovenstaande bevindingen: “Omdat deze zomer zeer droog is en er grote behoefte aan drinkwater bestaat, wordt voor fl.261.03 en een halve cent op de Oude Koemarkt een put gegraven met een pomp. Het blijkt, dat deze ‘het heerlijkste drinkwater’ levert.” (De Koerier 21-1-1987) De Rekening over het jaar 1859 werpt nog een bijzonder licht op de motivatie van het gemeentebestuur, omdat zij daarin tot uitdrukking laten komen, dat de ‘nieuw gegraven put en de daarin geplaatste pomp’ ten behoeve is van de ‘arme en mindervermogende ingezetenen’. (AEN 2119 Journaal). Vier ambachtslieden hebben hun bescheiden daarvoor overgelegd.

Na het slaan van de put en de plaatsing van de pomp is er volgens de ‘registers van afgegeven mandaten’ ieder jaar 10 gulden begroot voor onderhoud, maar de eerste vijf jaar ‘zijn daarop geen uitgaven geschied’.  In het jaar 1865 worden er door Sipke Jetzes de Boer, pompmaker te Nijehaske, op 7 januari herstellingen gedaan aan de pomp op de ‘zoogenaamde oude koemarkt’ te Heerenveen voor een bedrag van fl.2,20. In april ontvangt Gerben Postma, verver te Heerenveen, fl.5.56 voor het verven van die pomp. Andere ambachtslieden die in de loop der volgende jaren bij de pomp worden geroepen zijn o.a. Harmen Martinus Wagenaar, smid (Achter de Kerk), Karel van Tongeren, timmerman (op de Fok) en Johannes Cuiper, pompmaker te Heerenveen. Meestal bleven ze met hun kosten binnen het begrote bedrag van 10 gulden.

Het ingekomen stuk bij de gemeente Aengwirden van 28 september 1870, opgesteld door Mr. Daniël de Blocq van Scheltinga, advocaat en bewoner van ‘het Slotsje’ of het voormalige ‘Lyts Idemahûs’ aan de westzijde van dit plein, en ondersteund door Jan Harmens Kempes, kleermaker, en de weduwe Paulides, verzoekt de gemeente om de pomp op het plein op te ruimen. Het water stinkt en de pomp is steeds stuk. Het beantwoordt niet aan haar doel. Het is geen sieraad en veroorzaakt nutteloze kosten. Jan Harmens Kempes blijkt in het bevolkingsregister van de periode 1872-1880 te wonen in een pand (met no. 53) achter de weduwe Martje Ates Reitsma-Veenstra, winkelierse aan de oostkant van het plein (nu opgenomen in Paul Kruger). Derde ondergetekende is de weduwe Paulides ofwel Sophia Reinders van der Wal, sinds 21 mei 1859 weduwe van Tjeerd Johannes Paulides. Zij woont ook aan de oostkant maar enkele huizen naar het zuiden op het grondgebied van Schoterland (thans Oude Koemarkt 8).

Deze aktie van het drietal is tegen het zere been van een aantal andere aanwonenden, die een dag later op 29 september 1870 een contra-petitie bij de gemeente inleveren. Zij vinden dat de pomp moet blijven staan, omdat de straat er goed mee schoon te maken valt. Bovendien geeft het enige geruststelling bij het bestrijden van - eventuele - brandjes. Hun namen zijn de weduwe Hans Barteles Reitsma, de winkelierse; haar zoon Jan Hanzes Reitsma; Doetje Sakes Kromhout, ongehuwd naaister (overleden 1878); Hendrik Roelofs van Reen, gehuwd met Siebrigje Sakes Kromhout, een zuster van Doetje; Gerrit H. Grevenstuk, die of werkzaam is geweest en/of inwoont bij de weduwe Giel Cornelis de Vrieze, welke weduwe zelf als laatste tekent.

Op 3 oktober 1870 buigt de raad zich over de beide elkaar bestrijdende groepen bewoners. Het conflict valt uit in het voordeel van de ‘laat staan die pomp, want het kan z’n diensten bewijzen’-voorstanders van de groep van de weduwe H.B. Reitsma. De raad besluit, met het oog op de nogal aanzienlijke kosten van plaatsing destijds in 1858 en gezien de vele diensten die de pomp aan de buurtbewoners bewijst, de pomp in orde te brengen. In 1871 wordt er van januari tot en met april door Wagenaar, Postma, Cuiper en de Boer samen aan kosten gemaakt fl.14,55. Op 22 maart 1872 wordt er door de raad zelfs besloten de pomp te vervangen.

In het resolutieboek van Aengwirden over de periode 1869-1885 (AEN 76) lezen we, dat er een brief zal worden gestuurd naar de Directie van de IJzergieterij ‘De Prins van Oranje’ te ‘s Gravenhage. Daarin wordt gevraagd wat het moet kosten om een pomp model 3, die in hun prijscourant voor fl.22,- staat genoteerd, bij de Heerenveense beurtschipper op Amsterdam te krijgen. De bevestiging vinden we in het kasboek van Aengwirden van 1872 (AEN 2130). Daarin wordt gemeld dat aan ‘De Prins van Oranje’ fl.21,90 is betaald wegens leverantie van een pomp voor de Oude Koemarkt. Na de winterperiode komen op 3 maart 1873 in aktie: Johannes Cuiper, Heere Durks Sjollema (koperslager), Harmen Martinus Wagenaar en Gerben Postma. Sjollema levert voor het stellen van de ijzeren pomp met bijlevering van materialen zelfs een nota in voor fl.25,65 en Wagenaar voor geleverd materiaal fl.8,-. Het is deze pomp, die prachtig is weergegeven op een tekening van de franse kunstenaars (illustratoren) Eugène en August Tilly in een boek met de titel “Friesland in Grootvaderstijd” (MWvH., bibl. cat. 11.18). Op bladzijde 41van dat boek staat daar de afbeelding, die volgens de inleiding van redacteur Sytse Jan van der Molen eerder afgedrukt is geweest in jaargang 1883 van een tijdschrift met de titel “De Aarde en haar volken”.

In de Rubriek “Heerenveen uit vroeger dagen” schreef Leo Leenes begin jaren zeventig bij deze oude foto van Oude Koemarkt de volgende tekst: (MWvH., foto 6913):

                                      

Hierbij( Links) een foto van de Oude Koemarkt waar vroeger de markt werd gehouden. Momenteel denkt men bij het gemeentebestuur er over de markt weer terug te brengen, waar onze voorouders hun vee kochten en verkochten. Een voornemen dat nog al tegenkanting ondervindt van de betrokken marktkooplieden. De foto is afkomstig uit het archief van de Stichting Oudheidkamer Heerenveen.”Eerder is die foto al eens geplaatst in het fotoboekje “Heerenveen in oude ansichten”, van de uitgeverij Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1968. De tekst van Douwe Miedema staat op bladzijde 41 en wordt door hem gedateerd op plm. 1890. Naast Crackstate en het huis van Daniël de Blocq van Scheltinga (ook bekend als het “Lytshûs” ook wel ‘t Slotsje, later hotel Jorissen, nu: cafetaria) en café Reitsma, de voorloper van Paul Kruger, zijn er als straatmeubilair een aantal bomen, een gaslantaarn, de grensbalk en overduidelijk de ‘dorpspomp’. Dirk Aartsma geeft als extra informatie aan Douwe Miedema, dat met het rijtuig de logé’s van Hotel Jorissen van de trein worden gehaald.

Met een iets ander camerastandpunt ( Rechts) heeft de fotograaf de westkant van de Oude Koemarkt vastgelegd. De opname straalt een serene rust uit. De tramrails markeren de datering als ‘na 1882’. Iets rechts van het midden is er de onmiskenbare dorpspomp en geheel rechts inmiddels ook de gaz-lantaarn. Opvallend is ook de kenmerkende bouwstijl van de benedenverdieping van het ‘slotsje’. Die moet ongetwijfeld tot stand zijn gekomen in het kadastrale dienstjaar 1874 als Daniël de Blocq van Scheltinga na aankoop een complete herbouw uitvoert.

De mandaatregisters van Aengwirden geven koperslager Dirk (Heeres) Sjollema - kleinzoon van de kunstschilder Dirk Piebes Sjollema - de eer de laatste herstellingen aan de pomp te hebben verricht. Hij krijgt op 14 januari 1888 als allerlaatste fl.7,60 vergoedt voor zijn werkzaamheden. Dat leidt tot de conclusie dat tussen 1888 en 1897 (als het plantsoen op de Koemarkt wordt aangelegd) de pomp is verwijderd. Op foto’s van nadien is de pomp niet meer terug te vinden.

Initiatiefnemer in de raad van Schoterland is geweest de heer Hendrik Tuymelaar, die op 26 juni 1858 zijn mening uit. De aanhoudende droogte en de daardoor ontstane schaarste aan gezond drinkwater wil hij op kosten van het dorp Heerenveen bestrijden met een te graven welwaterput en dito pomp ‘voor algemeen gebruik’. Het lukt hem de mederaadsleden te overtuigen en B. en W. te machtigen op een door hen te beoordelen geschikte plaats een pomp te plaatsen. Het bovengrondse deel daarvan moet wel zo zijn geconstrueerd dat “aan het oog behoorlijk voldoening worde gegeven”. (SCO 285) Met andere woorden ‘het moet er knap uitzien’!

De gemeenteontvanger begroot voor de ‘klus’ fl.250,- (SCO 3742), die door de uitvoerders met fl.30.15 wordt overschreden. De timmerman R.E. van der Wal toucheert fl.239,88; de smid Jan A. Kuipers rekent voor ijzerwerk fl.31,91 en koperslager H.D. Sjollema brengt voor koper, zink en loon fl.8,36 in rekening. Totaal derhalve fl.280,15.

De plaats van de pomp is volgens een mededeling uit 1872 ‘het gemeenteplein’ geworden, waar dat jaar een bedrag aan onderhoud van fl.2,25 wordt geboekt. Spijtig genoeg zijn er geen afbeeldingen bekend van de exacte locatie op dat plein. De oude ansichtkaarten bieden geen soelaas.

2014,nov. 29 -wibbo westerdijk-hip-backup