HIP-TIME MAGAZINE 97      

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ten tijde van deze foto (MWvH., no. 01867) heet de straat langs het witte pand met de naam en de affaire van grossier ‘Theodorus Leenes, Chocolade en Suikerwerken’ nog gewoon ‘Haringspad’. Die naam heeft het zeer lang gedragen. Daarvoor is ook wel een verklaring te geven. In de Speciekohieren vinden we namelijk op de Nieuwburen als ‘huisman’ de persoon van Jan Harings, die in ieder geval van 1748 tot en met 1763 daar zijn boerenwerkzaamheden uitoefent. Hij huurt aan het einde van het pad een ‘huys en schuyr’ met ongeveer 10 morgen lant van de eigenaresse de wed. Tjaardt van Heloma. De volksmond zal ongetwijfeld dit toponiem tot stand hebben doen komen met de bekende hardnekkige gevolgen. Zelfs in 1829 wordt in een overeenkomst tot het dempen van de gracht voor het grietenijhuis Oenemastate gesproken over het 'Cingel of Haringspad'. (SCO 1177) Ook de kadastrale minuutplan van 1832 vermeldt nadrukkelijk de naam 'Het Harings Pad' langs 'De Kolk'. Ook eerder al vinden we de naam Haringspad in een journaal van ontvangsten en uitgaven uit 1817 als een timmerman wordt betaald voor zijn werk in 1812 aan het brugje tussen Haringspad en Nieuwburen.

Ab Taconis, onderzoeker van historisch Heerenveen uit de jaren veertig tot en met zestig van de 20e eeuw, vertelt in een artikel over de Franse tijd, dat de manschappen van de Eerste Compagnie moesten samenkomen op het ‘Harenspad’ voor de woning van Kapitein Kratzsch. Deze woont een aantal jaren als officier van justitie op ‘Oenemastate’. Taconis vult dan de tekst tussen haakjes aan met zijn visie, dat de naam ‘Haringspad’ een verbastering is. De weg is volgens hem oorspronkelijk genoemd naar de familie van Haren, die er tot ongeveer 1750 zou hebben gewoond. Dat klopt want Catharina van Haren woont er nog tot 1771 als de ‘wed. Grovestins’.

Taconis maakt in de jaren vijftig deel uit van de Oudheidkamerbestuurders en publicisten over de Heerenveense historie, die gezamenlijk tevens onderdeel zijn van de straatnamencommissie en hun invloed hebben aangewend om de in hun ogen ‘administratieve slordigheid’ ongedaan te maken. De statusbewuste gemeenteraad blijkt daarvoor gevoelig, want op 21 december 1959 besluiten ze tot de wijziging van de straatnaam naar ‘Van Harenspad’. Op 22 november 1978 worden de straten langs Oenemastate en het plein daarvoor, die eerst ook tot het Van Harenspad zijn gerekend, hernoemd. Daarvoor wordt de naam ‘Gemeenteplein’ ingevoerd.

Deze anonieme foto is gemaakt kort na 14 april 1945 na het opblazen van de Garstenbrug - één van de zes bruggen in Heerenveen die dat lot heeft ondergaan - bij het terugtrekken van de Duitse bezetters. Verbazingwekkend dat er nog iemand een fotorolletje in zijn bezit heeft om dit vast te kunnen leggen. Je moet bijna veronderstellen dat het om een beroepsfotograaf gaat. De locatie ligt bovendien verleidelijk dicht bij het woonhuis en atelier van Chris en Philippus Weijer op de hoek Lindegracht-Nieuwstraat. Zullen we het ooit te weten komen ?

Het is geen aangenaam gezicht dat verwrongen ijzer en de beschadigingen aan het metselwerk van de fundering. Toch is er al of weer verkeer over de brug door een dame met de fiets aan de hand en enkele andere passanten. 

Op 20 sept. 1945 laat de directeur gemeentewerken aan B. en W. weten, dat de Garstenbrug nog niet is gerepareerd.

Het is wel de bedoeling dat er een noodophaalbruggetje van 1.50 breed wordt gelegd. Een uitgavenlijst in een dossier van oorlogsschade vermeldt een bedrag van fl.220,- voor de firma Theodorus Groothoff & Zn. wegens het stukbranden en opruimen van de Garstenbrug. Op 3 december 1945 wordt de algehele vernieuwing van de brug geraamd op fl.6950,-. 

Het is in de Heerenveense infrastructuur een onmisbare verbinding, tot de verkeersintensiteit zodanig is gegroeid dat de scherpe bochten naar en vanaf de brug als te krap worden ervaren. Overigens duurt de reparatie van de Garstenbrug zeer lang. Als reden daarvoor moeten we het gebrek aan materialen vermoeden. Het is anders niet te begrijpen, dat de Heerenveense Koerier op 21 maart 1946 - bijna een vol jaar later - schrijft dat het doorgaande verkeer via het Haringspad richting Gorredijk en Drachten nog steeds gestremd is. Het alternatief via de Oude Koemarkt naar de K.R. Poststraat en de Nieuwstraat en de Heideburen is nog niet ingeslepen. Weliswaar krijgt de gemeente Heerenveen op 27 februari 1946 groen licht van Gedeputeerde Staten voor het herstellen van de beschadigde brug en het raadt dat aan te melden bij de Rijkscommissie voor Advies inzake Bijdragen Wederopbouw Publiekrechtelijke lichamen, Den Haag. Maar ... daarmee ligt er niet onmiddellijk een nieuwe brug !

Tien jaar eerder - begin september 1935 - verovert de Garstenbrug de kolommen van het Nieuwsblad van Friesland met ervaringen, die het gevolg zijn van het plan de scheepvaart in de Compagnonsvaart te verlossen van de steeds terugkerende frustatie van de te hoge sluisdrempel onder haar brug. Bij het eerste bericht zijn er meldingen van archeologische aard als blijkt dat bij het droogvallen van het afgedamde gedeelte naast een tweetal gouden ringen ook verschillende muntvondsten worden gedaan door de werklieden (en clandestien door de omstanders). Er wordt gerept van een zevental munten, waarvan één met de tekst ‘West-Frisiae’ en het jaartal 1721. Verder één bronzen gulden (een zogenaamde ‘Willem’) van 1820, een halve gulden van 1823 en enkele Belgische munten. Enkele dagen later is er ook een munt met het opschrift ‘Stad Utrecht, 1723’ - met op de andere zijde een wapenbeeld - gevonden (vermoedelijk dus een duit).

Vanaf de 16e september 1935 verandert de toon van nieuws. Het waterpeil daalt door de aanvankelijk gebrekkige afdamming zo snel in de Compagnonsvaart, dat de melkvaarders er de nadelige gevolgen van ondervinden. Er is sprake van tegenslag bij de verwijdering van de betonnen sluisdrempel. Wanneer dat uiteindelijk is gelukt en de bodem eronder wordt uitgegraven verliest de onderbouw van de brug zijn steun. Het zware brugdek zorgt voor een dermate verzakking, dat het brugdek aan de noordkant vastgekneld raakt. De brug kan niet meer geopend worden en moet voor het verkeer worden gesloten, met uitzondering van voetgangers en wielrijders.

De omleggingsroute vanuit de Knijpe voert langs de Nieuwstraat en Kerkstraat, maar zoals gebruikelijk in zulk soort situaties trekken sommige autobezitters zich van de bebording niets aan. Zodoende gaat zich een situatie voordoen, dat het verkeer op de Lindegracht door elkaar tegemoetkomende vrachtauto’s muurvast komt te zitten en slechts met grote moeite aan de stagnatie een einde komt.

Maandag 7 oktober 1935 komt het verlossende bericht, dat de drempel met 30 centimeter is verlaagd. Alle andere werkzaamheden voor verbetering van de watervoorziening en dus ten dienste van de scheepvaart van waterschap ‘De Schoterlandsche Compagnonsvaart’ zijn uitgevoerd. De subsidiëring door provincie en de gemeenten Opsterland en Schoterland zijn toereikend. De stremming voor het verkeer wordt woensdag de 9e oktober opgeheven en de brug kan weer worden gebruikt.

Met het grote aantal vaarten en wijken in de gemeente, maar ook in de plaats Heerenveen, zijn de oeververbindingen het onderwerp van voortdurende zorg. De verschillende overheden hebben er regelmatig mee te maken. Het rijk met de Hoofdbrug, de provincie met de provinciale waterwegen en haar bruggen (Heerensloot en haar oeververbindingen), de gemeentelijke overheden met de barten en bruggetjes over verschillende wijken, de waterschappen met sluizen en dergelijke en de huiseigenaren met de bruggetjes over de scheidsloot voor hun huizen (Falkenaweg, Fok).

Kort nadat de Garstenbrug zijn ‘sluisdrempel’ heeft verlaagd kan de gemeente Schoterland na jarenlange voorbereidingen en requesten van bewoners van b.v. Breedpad-Badweg en Nieuwburen, werk gaan maken van de te smalle barten en bruggen over de ‘Kempenaerswijk’ en ‘Koolsingelgracht’. In dit artikel concentreren we ons op de laatste en leggen eerst even uit, dat de wijk die vanuit de Schoterlandsche Compagnonsvaart - op onze foto uiterst links - naar het voormalige terrein van de gasfabriek voert. Door Taconis wordt dit in een historisch artikel de ‘Koolsingelgracht’ genoemd. Die gracht heeft zelfs op de oorspronkelijke, kadastrale minuutkaart uit 1832 een merkwaardig verloop: eerst naar het zuiden (ca. 50 meter), dan naar het oosten (ca. 31 meter) en tenslotte weer naar het zuiden (minstens 130 meter). Het blijkt daarmee een onderdeel te zijn van de grachtengordels, die de ‘voorname’ huizen (Helomahuis, Scheltingahuis, Oenemastate) haar status verschafte. De ‘Koolsingel’ heeft zo rond het jaar 1800 haar begin ten westen van Nieuwburen 12 (het pand van notaris Kool, die later zijn naam nog uitbreidt met de naam van het geslacht van zijn moeder tot ‘Kool van Heerens’) en naar het zuiden als voetpad parallel met de gracht naar het zuiden loopt.  Dit ‘singeltje’ krijgt in 1902 door grootgrondbezitter Geert Korf een flinke uitbreiding naar het zuiden tot aan het Oranjewoud met de aanleg van een door snelgroeiende bomen gemarkeerd voetpad, waarvan opnieuw de volksmond de naam heeft bepaald: ‘het Korflaantje’ of ‘Korfsingel’. Het ‘wandellaantje’ voor de gezinsuitstapjes op zondag naar ‘t Woud werkt bij het invallen van de duisternis als een magneet op ontluikende liefdes door haar aantrekkingskracht als het ‘vrijerslaantje’.

De ijzeren brug over de wijk naar de gasfabriek, welke het Haringspad en de Nieuwburen met elkaar verbindt, is een ontwerp van de dienst Gemeentewerken van Heerenveen (dossier 332-3). Deze moderne verkeersverbinding vervangt de dubbele ‘barte’ die een aantal jaren heeft dienst gedaan. Van de 18 inschrijvingen voor het maken en bedrijfsvaardig opstellen van 2 (twee) ijzeren ophaalbruggen wordt de opdracht gegund aan de Constructie-werkplaats en Machinefabriek N.V. R. Bosman te Rotterdam. Heerenveens constructiebedrijf van Th. Groothoff en zn. is met een begroting van fl.8668,- ruim verslagen door de inschrijvingsprijs van fl.7656,-.  De tweede brug betreft de brug over de Kempenaerswyk in het Breedpad. Aanbesteding voor beide bruggen vindt plaats op 29 october 1937. Heerenveens aannemer R. van Dijk, zelf wonend op de Nieuwburen 10, heeft zowel voor de onderbouw van de twee bruggen, als de walmuur, trottoir en bestrating getekend. De gunning daarvan is gedateerd 18 november 1937. Op 15 maart 1938 dient aannemer van Dijk een eis tot schadevergoeding in, omdat aan de strekdam bij het werk op de Nieuwburen door een aantal jongens schade is toegebracht. B. en W. wijzen de claim van fl.45,- af, omdat de gemeente daarvoor niet aansprakelijk kan worden gesteld. Eenvoudige bedrijfsrisico derhalve !

De levensduur van deze brug blijft beperkt tot 18 jaar, want in 1955 wordt de Van Kleffenslaan aangelegd en de brug wordt gedemonteerd. De ‘Koolsingelgracht’ wordt gedempt, de Garstenbrug wordt verlegd in het verlengde van de Nieuwstraat en de Van Kleffenslaan. Er sneuvelen daarvoor enkele huizen aan het begin van de Nieuwburen (nrs. 2 en 4 in ieder geval). De Nieuwstraat heeft dan al een verbinding met de K.R. Poststraat.

Aan het huisje van mw. Van der Klok, aan het doktershuis en aan Watertoren en Postkantoor hebben we al eens aandacht besteed. De geschiedenis van het Leenes-pand geeft aanleiding tot het noemen van de laatste publicatie op het gebied van ‘Monumenten in Nederland. Friesland.‘ bij Waanders Uitgevers, Zwolle, 2000.

Met stelligheid - doch helaas zonder bronvermelding, tenzij U de Rijksdienst voor de Monumentenzorg in Zeist als zodanig beschouwd - stellen de auteurs Ronald Stenvert, Chris Kolman, Saskia van Ginkel-Meester en Yme Kuiper, dat van Harenspad 50 moet worden beschouwd als ‘het voorm. Dekemahuis’. Bouwkundig wordt nog vermeld een ‘hoog omlopend schilddak’ en ‘het deels onderkelderde huis met een mogelijk laat 17de eeuwse kern’.  De ‘omlijste ingang’ stamt uit de eerste helft van de 19e eeuw. En het is rond 1907 verbouwd. Het is U bekend, dat het sinds 1981 onderdak biedt aan museum Willem van Haren.

De stelligheid van historisch onderzoeker Barteld de Vries in “De geschiedenis van het museumgebouw aan het Van Harenspad 50 in Heerenveen” is daarentegen wel onderbouwd. Bij de verkoop van ‘Moerborch’ (voorloper van Oenemastate) in 1612 wordt Brecht Claesdochter, weduwe van Tjaerdt Gaeles - stamvader van de familie van Heloma -, als eigenaresse genoemd van het terrein ten oosten van de ‘borch’. Zij heeft het terrein tussen 1586 en 1612 in bezit gekregen, volgens een stuk uit een ‘Proclamatieboek’ (oud inv. nr. Q-2) van het Rechterlijk archief van de gemeente Schoterland. (nieuw: Tresoar, Toegang 13.65, 1601-1608). Van dat jaar 1586 - als ‘Moerborch’ wordt genoemd - is het niet duidelijk of de oostelijk daarvan gelegen eigendommen van de Cuyck-en Foeytscompagnie én Dekema, toen al bebouwd waren. (Inventaris D.C.F., nr. 1499) Deze wetenschap zal andere onderzoekers tot de conclusie hebben gebracht te stellen, dat ‘vermoedelijk’of ‘waarschijnlijk’ het zogenaamde ‘Dekemahuis’ er reeds vóór 1586 al is gesticht. Niet Pieter maar zijn zoon Rienck van Dekema zou er in dat geval hebben geresideerd.

De zekerheid van 1612 én het bezit van Brecht Claesdochter, wed. van Heloma doet de gidsengroep van de werkgroep Oud Heerenveen in hun rondleiding bij voorkeur de nadruk leggen op het benoemen van het huis tot ‘Helomahuis’.

2014, december 14 - wibbo westerdijk - hip-backup