HIP-TIME MAGAZINE 116     

“Niettegenstaande ‘t stoomgemaal reeds geruimen tijd in werking is gesteld en iederen dag ‘n ongeloofelijke hoeveelheid water in zee stort, is de waterstand, ten gevolge van de aanhoudende regenval der laatste dagen zeer hoog. Ziet U maar eens hoe hoog ze is aan de Pastoriesingel te Heerenveen”.  Die mededeling wordt ondersteund door de neerslaggegevens over de periode 27 maart tot 14 april 1932, welke in totaal 89 mm regen oplevert.

Deze tussen aanhalingstekens geplaatste tekst staat als bijschrift bij bovenstaande foto, welke in ons geval afkomstig is uit de collectie van de heer L. Goldhoorn, die zijn verzameling heeft overgedaan aan de gemeente Heerenveen. Je mag aannemen, dat hij deze afbeelding hetzij als foto dan wel als fotokopie van de originele sepiakleurige afdruk in het geïllustreerde weekblad Fen Fryske Groun van 29 april 1932 op bladzijde 139 heeft gemaakt. In de verzameling van wijlen Hendrik Jan Boer op internet, die ze voor het publiek heeft geschikt gemaakt op <www.noordnl.nl/>, is ook sprake van deze foto als ‘gescande’ afbeelding.

Het ontstaan van deze afwateringssluis ligt in het feit, dat vanaf 1847 de weg van Heerenveen en Langezwaag naar Gorredijk is aangelegd. In 1850 komt in verband daarmee de bepoldering van het zuidelijke deel van het 5e Veendistrict tot stand. Bij één van de aan te besteden kavels wordt o.a. een schutsluis in de Pastoriewijk gepland (en voor de bediening een sluiswachterswoning aan de oostzijde), die verbonden is met de Schoterlandsche Compagnonsvaart. In de Leeuwarder Courant van 7 oktober 1940 wordt het bestaansrecht van het sluisje door de Staten van Friesland ontnomen. Een deel van de Pastoriewijk wordt gedempt en de andere onderhoudswerken daaraan komen te vervallen. Op termijn wordt de hele wijk gedempt en het sluisje onttakeld. De oorlog rekt het laatste nog even, maar na bijna een eeuw laat de historische stukjesschrijver Arjen Fetzes Koopmans in de Heerenveensche Koerier van 19 april 1946 in een gedegen verhaal zijn visie los op “It âlde slúske”. Zijn woordkeus is het Fries en daarvan citeren wij enkele zinnen:

“Ald slúske dêr oan de Pasterije-singel, mei dyn bihyplik (gebrekkige) grêftsje en dyn smelle paedsjes dêr by lâns; al kin oan 'e iene kant in wein dêr amper noch by troch. Nou 't dêr fan fierren de greate „forkearswei" syn earmen slacht om 't Fean, omt dy troch it Fean to binypt (kleinzielig) achtenearre (gewaardeerd) wurdt, binn' wy dy net mear brek (nodig), dyn útfeart ticht, dou sels oan kant. ln nije brede wei — de nije tiid! Wy wolle net eamelje dat dêr nou wer in tipysk stikje Hearrenfean fordwine sil, lyk as dy âlde Spekbrêge doe’t er noch yn 'e fleur wie, mei it slúske en it romme fjild dêrefter, ús foar eagen spile.........”.

We weten natuurlijk al heel lang van het sluiswachtershuis, maar zou het nu ook mogelijk zijn om die vanaf de stichting te stofferen met bewoners. Omdat het om pastoriegoederen gaat kammen we eerst de inventaris van dat archief eens uit op zoek naar aanknopingspunten. De eerste aanwijzing vinden we in het kerkelijk archief onder inventarisnummer 1383. Klaas Post, ‘sluiswachter te Heerenveen’ huurt van de Pastorievoogden een huis met erf aan de Pastoriewijk, genaamd ‘De Bleek’ onder Terband. Dat huis is eerder gewoond geweest door zekere Johannes Bosma. Dat contract wordt in 1850 voor de eerste keer opgemaakt voor 10 jaar en vervolgens wordt het een aantal keren verlengd.

Fotobijschrift: De stichting Oudheidkamer Heerenveen brengt in 1978 het fotoboekje ‘Een wandeling door Oud-Heerenveen’ uit. Op bladzijde 77 schrijft samensteller Douwe Miedema, dat de foto van deze sluiswachterswoning uit het begin van de eeuw dateert. De grote schuur links behoort tot ‘Voormeerszathe’ en rechts zien we de achterkanten van het laatste strookje huizen van de Heideburen.

In dit huis is Klaas Harmens Post op 10 januari 1894 overleden op 90 jarige leeftijd en twee jaar later zijn weduwe Christina Corée als 89 jarige. Klaas Harmens Post is afkomstig uit een Leeuwarden. (Dat blijkt o.a. uit het koninklijk besluit uit 1869, waarin hij wordt aangeduid als de zoon van Claas Sijbrens, zie verderop in de tekst). In 1832 vestigt hij zich in Heerenveen (SCO) gedurende twee jaar op het huisnummer 48b aan de Oude Kerkstraat, met zijn vrouw, waarmee hij op 14 mei 1829 te Leeuwarden is gehuwd. Hij is dan nog ‘huisbediende’ en in Leeuwarden wordt dochter Geertje geboren in 1830. In Heerenveen wordt hij aangesteld als ‘justitiedienaar’ (zeg maar de wetshandhavende rechterhand van de grietman). Per 1 januari 1834 woont hij onder Aengwirden en wel op het huisnummer 19 aan de Fok. Het gezin woont in een huis van de erven Fokstra en bestaat dan uit 4 personen (AEN 1210, Staat van de Bevolking 1834). Inmiddels is tweede dochter Tietje in 1833 erbij  gekomen. Van dit kind moeten de ouders op 25 augustus 1834 al weer afscheid nemen. Zij wordt slechts 19 maanden oud. Op 19 juni 1835 wordt opnieuw een Tietje geboren en in 1838 nog het meisje Harmina Johanna. Niet zo erg lang daarna wordt er weer verhuisd naar Heerenveen-Schoterland. In de Staat der Bevolking van 1840 (SCO 2109) staat Klaas Post ingeschreven als bewoner op huisnummer 59. In die jaren is het een huisje aan de Premierswijk, wat later de Nieuwstraat wordt genoemd en wel aan de westkant op kadastraal nr. A-83. Daar wordt op 29 april 1840 zoon Harmen geboren; op 1 augustus 1842 Johannes, op 9 oktober 1846 Rienk en op 21 september 1849 Theuntje. 

In 1850 breekt er een nieuwe fase in hun levens aan. In de Pastoriewijk wordt een nieuwe afwateringssluisje aangelegd met daarbij een nieuwe woning en dat wordt dus de nieuwe betrekking van Klaas Harmens Post. Hij wordt aangenomen als sluiswachter, en hoewel hij nog regelmatig als justitiedienaar en sinds een beschikking van de minister van justitie van 29 januari 1858

als rijksveldwachter 3e klasse (op een jaarwedde van fl.375,-) wordt aangeduid, blijft hij tot zijn dood (vermoedelijk in partnerschap met zijn vrouw Christina Corée) de sluisdeuren bedienen. Miedema onthult ons in het bijschrift van het fotoboekje, dat het bedienen van de deuren gebeurt met een ‘kaapstander’. Uit de omschrijving in de Grote Van Dale maken we op dat het een vaste, verticale windas is om de sluisdeuren (met menskracht) te kunnen openen en sluiten.

In de verschillende bronnen, die we hebben kunnen raadplegen, wordt Klaas Harmens Post in de oudere stukken - na de aanleg van de sluis - eerst in de huurakte van “De Bleek” opgevoerd als “sluiswachter”, terwijl hij daarna tot 1872 steeds als ‘rijksveldwachter’ wordt genoemd. Dat komt - bijna - overeen met het Koninklijk besluit van de Staatscourant van 16 december 1869, waarin hem op 7 december 1869 een pensioen van fl.237,- ‘s jaars wordt toegekend voor zijn carrière als rijksveldwachter der 3de klasse te Heerenveen. Aan het ‘huisnummer’ 173a bij zijn inschrijving in het bevolkingsregister 1872-1880 én het nummer 173b voor zijn buurman de boer IJde Keimpes Keimpema, bewoner van de boerderij ‘Voormeerszathe’, kunnen we zien, dat hij het sluiswachtershuis nog steeds bewoond.

Pas in 1880 wordt hij in het bevolkingsregister van Aengwirden weer als “sluiswachter” ingeschreven en wel op huisnummer 190. Gezien het gegeven, dat de boerderij Voormeerszathe (liggend in Aengwirden) op 12 mei 1880 afscheid neemt van boer IJde Keimpes Keimpema en als nieuwe pachter de veehouder Albert Klazes Oenema verwelkomt en beide onder het huisnummer 189 registreert; vervolgens het armhuis aan het eind van de Pastorielaan het nummer 191 toekent, mogen we ervan uitgaan, dat op het sluiswachtershuis het nummer 190 van toepassing is. Alles uiteraard onder Aengwirden.  Vanaf 1890 wordt het huis vernummerd naar nr. 193 en tot zowel de dood van Klaas - die opnieuw als sluiswachter te boek staat - op 10 januari 1894 als het overlijden van Christina op 23 augustus 1896 blijft dat zo.

Wie daarna die functie gaat vervullen is nog niet uit de bevolkingsregisters op te maken. Hun kleinzoon Klaas Harmens Post, geboren november 1868 als zoon van Harmen Klaas Post, tuinman, en Jeltje Jans Bakker, treedt op 23 mei 1895 in het huwelijk. Hij zet zich als tuinier met zijn bruid Annigje Freerks Vis te wonen in een éénkamerwoning aan de Heideburen huisno. 138. Daar wordt zoon Harmen op 6 mei 1896 geboren, hetgeen kennelijk aanleiding is om te verkassen naar het sluiswachtershuis, waar zijn grootmoeder op 23 augustus is  overleden en Harmen per 4 december 1896 intrekt. (SCO 1927) Dat is ook in de onmiddellijke nabijheid van zijn tuinderij. Hij staat geregistreerd als tuinman, maar is vooreerst de belangrijkste kandidaat voor het bedienen van de sluis.

Zijn adres wordt in de periode 1900-1920 tot twee keer hernummerd: eerst naar nr. 207 en daarna nog eens tot 223. Dat is steeds het ‘sluiswachtershuis’.

Met behulp van HIS-GIS - de kadastrale kaartensite op internet - wordt duidelijk dat het ‘sluisje’ aan de oostkant wordt begrensd door kadasternummer Tjalleberd A-1776 (legger 396, vlg.nr. 15, eig. de Pastorij van Aengwirden). Het wordt aangeduid als ‘weiland’ met een grootte van 47.80 are. Op dat perceel vinden onder A-1775 (legger 396.14) een - dus al langer bestaand - huis op een perceel van 0.84 are. We mogen aannemen, dat daaruit het latere ‘sluiswachtershuis’ is ontstaan. Dat klopt ook want uit 396.14 én 396.15 ontstaat 396.410 met als perceelsomschrijving ‘sluiswachterswoning met erf’.  Daarvoor is in het dienstjaar 1868 een nieuw kadasternummer toegekend: A-3553, met een perceelgrootte van 7.24 are en een gebouwde waarde van het huis van fl.40,-. De ‘tuingrond’ met een grootte van 8.40 are - waar de Postfamilie haar tuinmanschap bedrijft - heeft het nieuwe kadasternummer A-3554 toegekend gekregen.

Het oorspronkelijk nummer A-1777 - het weiland van 1.09.90 ha - wordt volgens een akte in het kerkelijk archief onder nr. 1135 door sluiswachter K.H. Post gehuurd voor drie jaar in 1869, hernieuwd in 1873, 1876, 1879, 1883 en vervolgens een aantal keren verlengd van jaar tot jaar voor fl.165,-. Dat jaartal 1869 valt natuurlijk niet toevallig samen met zijn pensionnering als veldwachter en we nemen zonder meer aan, dat hij zijn oude dag als ‘tuinman’ op dit perceel tot een nuttige en misschien zelfs noodzakelijk aktiviteit uitbouwt. Overigens doet hij dat niet in z’n eentje, want in een bewonerslijst van 1871 staat zijn zoon Harmen (Klazes) Post met een gezin van 4 personen reeds als ‘tuinman’ te boek. In zijn huwelijksacte in 1866 met Jeltje Jans Bakker staat dat al vermeld. Hij woont in ieder geval tot 22 juni 1874 in Heerenveen (Aengwirden). De gemeente Schoterland denkt daar even anders over, want die schrijft hem in per mei 1874 als ‘tuinman’ en komend uit (natuurlijk) Aengwirden. Als adres heeft hij een gloednieuwe, pasgebouwde éénkamerwoning gevonden, bereikbaar door de huidige ‘Eric Bramsteeg’ en destijds achter kadastraal nummer A-783, practisch tegen de grens met Aengwirden aan. (SCO 1912) Die woning heeft tot ongeveer 1955 bestaan en is toen afgebroken.

Harmen en zijn vrouw Jeltje met hun twee kinderen Klaas en Janke wonen daar tot mei 1878 en alleen zoon Jan wordt daar in 1877 geboren. Vervolgens gaan ze dus in mei 1878 naar het adres Heideburen nr. 93 - onder welk nummer ook de veehouder van ‘Voormeerszathe’ IJde Keimpe Keimpema staat geregistreerd. Het is het laatste huis van het rijtje woning na de Spekbrug, want Voormeerszathe ligt immers in Aengwirden, terwijl op nr. 94 de familie Heloma in Huize Voormeer hun domicilie hebben.

Bij de Volkstelling van 1880 wordt het huisnummer opnieuw vastgesteld en krijgt het nummer 158. In mei 1896 schuiven ze een woning oostelijk op en wordt hun huisnummer 159. Inmiddels is zoon Klaas getrouwd en voert een zelfstandig huishouden elders op de Heideburen, waar zijn ouders ook zijn begonnen toen ze uit Aengwirden kwamen. In de periode 1900-1910 blijft het huisnummer 159 van kracht.

Op 25 maart 1902 komt hij evenwel te overlijden. Het blijkt even lastig hem te vinden in de acten van Tresoar. De ‘digitalist’ heeft hem door een leesfoutje namelijk voorzien van de voornaam ‘Herman’, terwijl de akte no. 69 van 26 maart 1902 toch overtuigend spreekt van “Harmen”. Omdat er geen adres in die akte staat hebben we gekeken, wie hem als buren hebben aangegeven op Oenemastate. Dat blijken te zijn de brievenbesteller Rutger Jongbloed (van Heideburen 158) en de veehouder Jeep Heida (van Heideburen 160 = Voormeerszathe). De burenplicht is dan nog de gewoonste zaak van de wereld. Uit de financiële administratie van de Pastorij van Aengwirden (K.A. 1631. Journaal 1903-1913) blijkt dat de weduwe van H.K. Post (Jeltje Jans Bakker dus) niet alleen op 12 mei 1903 en 10 november 1903 het termijnbedrag van de huur van ‘t huis en land bij ‘t sluisje te Heerenveen betaalt, maar tevens van de tuin bij ‘t Armhuis. Samen 400 gulden. Over de jaren 1904 tot en met 1906 eveneens, maar met ingang van 1907 is het huurcontract verhoogd tot fl. 450,- per jaar. De per november 1909 vervallen huur betaalt de weduwe - zeer tegen haar gewoonte - pas in januari 1910. In november 1910 blijkt de huur te zijn overgenomen door haar zoon Klaas Harmens Post (geb. 28 november 1868), die al sinds 23 mei 1895 gehuwd is met Annigje Freerks Visser uit Terband en in feite het ‘erfelijke’ familiebedrijf gaat voortzetten. De eerste twee jaar gaat dat vlekkeloos, maar op 26 oktober 1912 noteert de ontvanger van de Pastorij een uitgave van deurwaarder de Lang van fl.3,95 over de ‘huuropbrengst van K.H. Post van 30 december 1911’.  Op 11 november 1913 wordt bemiddeld door notaris van Beyma thoe Kingma, die in het Journaal van de Pastorij ‘de huur van landen behoorende tot het plaatsje bij het sluisje over 1913...fl.319,20’  laat inboeken.  Wanneer we op 28 december 1915 in het journaal lezen dat P. Makkinga de opbrengst van het haver op de tuin bij ‘t sluisje laat boeken, bekruipt ons de vrees, dat kleinzoon de controle enigszins kwijt is. Die vrees krijgt een acceptabele verklaring, wanneer we vernemen uit de overlijdensregistratie van Aengwirden, dat echtgenote Annigje Freerks Visser op 24 februari 1915 in Terband is overleden. Zij is 42 jaar geworden en laat vier kinderen na die de tienerleeftijd hebben tussen 12 en 19 jaar. Weduwnaar Klaas Post (de jongere) hertrouwt op 30 oktober 1919 op 50 jarige leeftijd met de niet eerder gehuwd geweest zijnde Wietske Vis uit Nijehorne, die twee jaar ouder is.

Even hebben we de gedachte gehad dat tijdens het desastreuze jaar van Klaas Harmens Post en zijn kinderen, hij het beroep van tuinman heeft moeten opgeven en heeft moeten vertrekken. Voor het gebruik van een perceel land onder kadasternummer A-1777 tegenover het armhuis is dat ook zo, want Sijtze Reins Jonker krijgt daarover de beschikking bij onderhandse akte van april 1915. Hij mag het van de Pastorie van Aengwirden huren voor een jaarlijkse huur van 140 gulden.  Het gegeven dat in deze acte als zijn beroep ‘sluiswachter te Heerenveen’ wordt genoemd versterkt de gedachte dat hij tevens de bewoner van het sluiswachtershuis is geworden. Het bevolkingsregister van Heerenveen (AEN) van de periode 1890-1920 bevestigt dat vermoeden door hem tussen 29 juni 1914 en 12 mei 1916 de huisnummers Heerenveen 224 en 223 toe te kennen. Dat kan betekenen, dat in die periode het huis ook nog een keer een ander nummer heeft gekregen. Wat daarvan de reden zou kunnen zijn, is volstrekt onduidelijk. 

Uit de kohieren van de hoofdelijke omslag kunnen we vaststellen, dat als opvolger van Jonker - op basis van het huisnummer - in aanmerking komt Albert Jans Piek. Na zijn komst - het bevolkingsregister (AEN 1325) geeft naast zijn geboorte in 1866 te Luinjeberd en familiaire samenstelling, als opeenvolgende woonplaatsen Tjalleberd, Luinjeberd (op twee adressen), Terband (op twee adressen) en Heerenveen. Daar is huisno. 223 zijn adres: dus het brugwachtershuis. Over de jaren 1917, 1918, 1919 en 1920 registreert de gemeente-ontvanger hem op dit huisnummer. In 1921 wordt dat het huisnummer 371: het hoogste en laatste nummer van Aengwirdens Heerenveen. Het armhuis aan het eind van de Pastorielaan heeft dan nummer 370. In 1922 staat hij in het adresboek vermeld als ‘arbeider’, terwijl hij in die eerdere jaren als ‘arbeider gemeentereiniging’ staat geboekt.  In dat jaar komt op 12 mei zijn in juni 1921 gehuwde zoon Jan, die brievenbesteller is, bij hem inwonen op nr. 371. Het adresboek van 1927 kent Albert Jans Piek onder hetzelfde nummer en hetzelfde beroep. Maar ..... in dat van 1934 blijkt hij als ‘sluiswachter’ te wonen op het adres ‘t Meer 1 (voormalig Aengwirden). Deze hernummering sluit ogenschijnlijk niet aan op de steeds gebruikelijke locatie: Pastorielaan. Mogelijk dat er een reparatiebeslissing is gemaakt door een ‘Commissie Herziening Huisnummering (?)’, want in het adresboek 1938 en ook de gezinskaart tot 1940 blijkt het adres gewijzigd naar Heideburen 83b. Dat is de locatie ten noorden van broodventer en winkelier in suikerwerken Fokke Mulder, die in die jaren op de zuid-oostelijke hoek van de Heideburen met de Pastorielaan woont.

Als ‘uitsmijter’ en tevens als ‘bekroning’ van deze aflevering willen we U graag het als gevaarlijk bekend staande kruispunt laten zien, waar een NTM-tramstel de trambrug het sluisje in de Pastoriewijk en de Pastorielaan kruist om bij de ‘opstapplaats’ tussen Heideburen en Pastoriedwarsstraat haar passagiers te kunnen gerieven.

Deze opname is afkomstig uit de collectie van arts dr. J.H. Brouwer, verzamelaar, tramdeskundige en bewoner van ‘Huize Voormeer’. Detailgegevens over deze foto zijn niet beschikbaar, maar er is een grote waarschijnlijkheid, dat de heer Brouwer zelf de opname heeft gemaakt. Het beeld is te danken aan een scan van één van zijn grote collectie dia’s, welke onderdeel uitmaken van het fotoarchief van het Heerenveen Museum. Dit exemplaar is nr. 168 van de ’Collectie Brouwer’.

Bij het naspel van de gebeurtenissen van wijk, sluis en trambrug realiseren we ons, dat het gebruik van de wijk aanzienlijk zal zijn teruggelopen door de verbetering van het wegenstelsel. Het verkeer door de pastoriewijk met uitsluitend pramen dient in 1930 zeker niet meer de vervening. Stellig zal er wel eens een praam met mest, mogelijk vee en zeker met de grondverbeterende ‘terpaarde’ of een incidentele verhuizing de noodzaak van het klappen van de trambrug en het openen van de sluisdeuren noodzakelijk hebben gemaakt. De sluiswachter is inmiddels duidelijk een bijbaantje geweest zonder de noodzaak van permanente beschikbaarheid. Het blijkt in ieder geval prima te combineren met het tuinmansambacht. Met gedeeltelijke buitengebruikstelling en tenslotte volledige demping voor de plaatselijke infrastructuur eindigt ook de Pastoriewijk haar bestaan. Hetzelfde lot van afbraak en onttakeling zijn de trambrug en de tramlijn tenslotte beschoren. De dienst Gemeentewerken van Heerenveen heeft in mei 2003 haar best gedaan om een stukje historisch tramverleden te reanimeren. In de parallel aan de Pastoriestraat lopende vroegere trambaan (tegenwoordig het achterom van de panden aan de Heideburen) uitmondend op de Zonnebloemstraat, heeft de dienst bestratingen in een contrasterende kleur het 1.50 meter brede tracé zichtbaar gemaakt.

2015, september 20 - wibbo westerdijk - hip-backup