HIP-time 77

Het is inmiddels helemaal niet vreemd meer, dat je door de mogelijkheden van internet ontzettend breed georiënteerd raakt.

Een flink aantal  jaren geleden is er in het museum Willem van Haren een regelmatige bezoeker bezig een lijst samen te stellen van foto’s uit de reportages over Heerenveen en haar dorpen. Met name het blad ‘Fen Fryske Groun’ - waarvan het museum een aantal jaargangen bezit - publiceert foto’s van een kwalitatief zeer hoogwaardig niveau. De sepiakleurige afbeeldingen trekken de aandacht van de abonnees uit die jaren. Er wordt meer dan driftig uitgeknipt en verzameld, maar gelukkig ontspringen ook complete jaargangen die dans en worden door de beter gesitueerde abonnee ‘ingebonden’.

De man die de lijst samenstelt, blijkt op verzoek bereid zijn inventarisatie met het museum te delen en sindsdien is zijn handschrift te vinden in de ringband ‘Collecties’ en kan worden geraadpleegd. Volgens de door Hendrik Jan Boer uit Groningerland samengestelde lijst van afbeeldingen afkomstig uit o.a. Fen Fryske Groun,  maar ook uit de geïllustreerde weekbladen Het Noorden in Woord en Beeld en Eigen Erf in Woord en Beeld, beschikbaar als computerbestand op zijn website: www.noordnl.nl , zou onze foto zijn gepubliceerd op 29 juni 1934.

Voor de hand ligt dan, dat je het in dat exemplaar van Fen Fryske Groun kunt vinden. Minutieus nalopen van dat exemplaar in de bibliotheek van de jaargang 1934 levert veel mooie fotoos op, maar niet deze. Helaas ! Zou het mogelijk kunnen zijn, dat de foto in één van de andere tijdschriften is aangetroffen ?

Op 15 februari 2012 tijdens een surfsessie met het steekwoord ‘Heerenveen’ ontdekt schrijver van dit verhaal deze website en legt het beeld vast op zijn harde schijf. Eind december 2013 doet  Ys W. Sevensma bij een ontdekkingstocht op internet hetzelfde en stelt ons daarvan meteen in kennis. Uiteraard valt hem onmiddellijk de ‘kreupele’ tekst als bijschrift op, maar vergevensgezind legt hij het toch maar vast als ‘De Veenscheiding’.

Uit prékadastrale informatie is in Heerenveen dan al bekend, dat de familie Engelen eigenaar is geweest van het water van die naam. Bovendien sluit deze Veenscheiding aan op de door deze familie gegraven verbinding naar het Tjongerkanaal, welke de naam ‘Engelenvaart’ heeft gekregen. Rond 1830 is Hermanus Hiddinga, onroerend goed bezitter en houtzaagmolenexploitant eerste kadastrale eigenaar van het water van de Veenscheiding (A-540), terwijl de Grietenij Haskerland dat is aan hun kant van het grietenijbezit.

Eerdere ‘gravers’ - niet alleen in het veen, maar ook in de geschiedenis van de vervening - zijn verantwoordelijk voor onze gebrekkige kennis over de veenscheiding tussen de grietenijen Haskerland en Schoterland. Erkend ‘nammekundige’ Karel F. Gildemacher, die in het boek ‘Haskerlân’ met ‘Feanskieding’ de zuidelijke grens van de gemeente Haskerland met die van Schoterland benoemt, verklaart de verschijningsvorm soms als een afscheiding met palen, soms als een brede greppel. In de loop van de tijd kan het vervolgens zijn uitgegroeid tot een vaart. Pas in een oorkonde uit 1539 komt de naam voor het eerst voor als ‘faenschedinge’. Spijtig genoeg rept hij niet over de meer zuidelijk gelegen ‘oude veenscheiding’ op het grondgebied van de latere wijk De Greiden in relatie tot de huidige waterverbinding als grens tussen de wijken De Greiden en Nijehaske. De samensteller van het Straatnamenboek van Heerenveen uit het vermoeden, dat de ‘oude veenscheiding’ eens de grens is geweest tussen Nijehaske en Nieuweschoot.

Pas in 1767 komt er enige duidelijkheid over het verloop van de Veenscheiding als een consortium van veenexploitanten, die de Heerenveense advocaat Johannes Munnik in de arm nemen, om een octrooi tot het graven van een vaart tussen Heerenveen en het Tjeukemeer, met het recht van tolheffing, aan te vragen bij de Staten van Friesland.

Dat consortium bestaat dan uit Jhr. Poppe Andreae van Canter, Arjen Buwalda, Nanne Dirks Drijfhout, Sybren Stapert, Sjoerd Stapert, Cornelis Witteveen en Frederik Witteveen. Uit de speciekohieren is bekend, dat Nanne Dirks Drijfhout langdurig inwoner is geweest van Heerenveen. Sindsdien wordt het traject van de ‘Veenscheiding’ langs het bekende huidige sluisje naar het ‘Nannewijd’, linksaf langs de Badweg naar Rottum en tenslotte als Hoogedijkstervaart evenwijdig langs de weg bij Vierhuis in het Tjeukemeer uitmondend, aangegeven. Ook die situatie behoort inmiddels al weer enige tijd tot het verleden.

Onze foto wordt dus op 29 juni 1934 gepubliceerd en we nemen daarbij aan, dat het een authentieke opname betreft. In Heerenveen weet iedereen in die tijd, dat aan het eind van het Breedpad een zestal aaneengebouwde huisjes staan tot aan de oostelijke spoorsloot. Over deze parallel aan de spoorbaan lopende sloot ligt een smal bruggetje. Nee, niet het bruggetje op deze foto, want deze ligt over de westelijke spoorsloot. Tussen beide bruggetjes ligt dus de goed zichtbare spoorbaan met de rails ingebed door een met korte bielzen gevormd pad. Suggereert de fotograaf met de stand van de bewaakte overweg, dat de trein net is gepasseerd of dat de trein op het punt staat binnen enkele momenten te gaan passeren? Is dat ook de reden, dat de ‘poserende’ man-met-pet zo ontspannen in de lens kijkt? Zou dat de bewoner kunnen zijn van het boerderijtje, dat is afgebeeld ? Wanneer dat het geval is, dan vertelt het adresboek van 1934 ons, dat we te maken hebben met veehouder Dirk Johannes van der Laan van huisnummer 79.

Vragen we ons af hoe dit agrarische bedrijf zo apart is komen te staan, dan gaan we eerst even terug in de tijd. Uit de speciekohieren weten we dat zekere Geert Paulus in 1779 op één van de hoogste specienummers aan de Heerenveen-zuidzijde op de ‘Conijnebergh’ als keuterboer met 5 koeien en 1 rier een boerenbedrijfje heeft gehad. Hij is daar in 1792 opgevolgd door Roel Klazes, na 1811 zich noemende Oostwoud. Deze pakt het duidelijk iets groter aan. In 1795 heeft hij een veestapel van 23 koeien en 3 rieren, en de hulp van 2 paarden. Wie destijds de eigenaar van de plaats met land is geweest, is niet duidelijk, maar wanneer de zathe en landen met huizinge en schuur c.a. in 1809 in de Leeuwarder Courant te huur staat is het Daniël de Blocq van Scheltinga, die de briefjes ‘vragtvrij’ op Pauwenburg te Oranjewoud wenst te ontvangen.

De nieuwe huurder blijkt Durk Hendriks (Pasma), die in een quotisatielijst van 1809, staat vermeld als ‘huisman’. Kort daarvoor heeft het bestuur van het ‘Franse’ Heerenveen-Schoterland besloten, dat de huizen in Heerenveen - beginnend bij de kerk en eindigend bij deze boerderij - een oplopende nummering moeten krijgen. Voor deze plaats wordt het huisnummer 281 vastgesteld. We mogen het gerust ‘bijzonder’ noemen, dat tot en met 1879 deze systematiek is gehandhaafd. Pasma blijkt uit het goede boerenhout gesneden, want tot zijn overlijden op 7 september 1854 blijft hij zijn verpachter trouw. In 1832 bij het opmaken van het kadaster blijkt dat te zijn: jonkheer Willem Alberda van Ekenstein, vrederegter te Loppersum in Groningerland. Het boerenhuis met erf is 17.80 are groot en heeft het kadasternummer A-517 gekregen. Wanneer je op de website: <www.hisgis.nl> gaat kijken, zul je ontdekken, dat er er een flinke strook landerijen bijhoort tot aan de Rottumerweg, zonder uitzondering weiland.

In de samenstelling van het gezin van Durk Hendriks Pasma en zijn vrouw Janke Wigles van der Velde is bijzonder opvallend, dat naast hun eigen nog thuiswonende kinderen (Wigle, Wybrigje en Hendrik) en de werkmeid ook deel uitmaken van het gezin twee jongens van Fokke Bienema uit Oudeschoot. Izaäk de Swart (van) Bienema, 9 jaar, en Frans Hendrik (van) Bienema, 7 jaar, zullen waarschijnlijk deel hebben uitgemaakt van het gezin Pasma. Vader Fokke Bienema heeft juist in die jaren een druk bestaan geleid als politicus en bestuurder in de Provinciale en Gedeputeerde Staten van Friesland en de jongens zullen op school zijn gegaan in de Oude Kerkstraat bij meester Peeting. Mogelijk dat moeder niet volledig in staat was een groeiend gezin te bestieren?

Met een sprongetje in de tijd belanden we bij zoon Wigle Durks Pasma (1815), die zijn vader (of eigenlijke zijn moeder in 1858) als pachter is opgevolgd. Hij krijgt te maken met een ingrijpende verandering door de aanleg van de spoorbaan in de lengterichting door een perceel van zijn bedrijf, zodat het bovenstaande beeld kan ontstaan. Jhr. Willem Alberda van Ekenstein verkoopt vóór 1867 al een aantal stroken weiland aan de Staat of eigenlijk het Departement van Binnenlandsche Zaken, die het de spoorwegbestemming geven.

We kunnen veilig aannemen, dat aan en afvoer van goederen naar en van de plaats merendeels heeft plaatsgevonden door middel van een (melk)praam langs de Veenscheiding. Ongetwijfeld zal ook de kruiwagen een beslissende rol hebben gespeeld in het vervoer van kleinere colli.

In het kadastrale dienstjaar 1871 verkoopt jhr. Alberda van Ekenstein de boerderij  aan Klaas Sipkes Heida te Katlijk, die het in 1875 aan Sent Hanzes van den Berg doorverkoopt. Deze boert er op de ‘Konijnenpolle’ een flink aantal jaren, maar ziet in de avond van 11 november 1891 - volgens de Leeuwarder Courant van 13 november 1891 - door brand niet alleen het meubilair van zichzelf, maar ook van de naastwonende zilversmidsknecht Douwe Hansma en arbeider Siete Olkes van der Meer, in vlammen opgaan. De woning, bewoond door arbeider-sjouwerman Thijs de Jong, wordt eveneens een prooi van de vlammen. Gelukkig kan het bedrijfskapitaal - het vee worden gered.

Hoe de situering van de wooneenheden daar precies was valt niet af te leiden uit de huisnummers. Het bevolkingsregister laat Thijs de Jong wonen in nr. 537 (gaat na de brand naar ‘t Meer); Sent Hanzes van den Berg in nr. 538; Douwe Hansma in nr. 539 (gaat tijdelijk naar Nijehaske) en Siete Olkes van der Meer in nr. 540 (vindt kennelijk onderdak in de opstallen van pompmaker-molenaar Sipke Jetzes de Boer in nr. 540a om in mei 1892 naar Benedenknijpe te gaan).

De boerderij wordt herbouwd en in 1898 verkoopt Van den Berg de plaats aan Johanna Wilhelmina Bernardina Verbeek, gehuwd met Teunis Brandsma, apotheker, Wijk bij Duurstede. Twee broers van Teunis Brandsma - Lammert en Wytze (beiden vrijgezel) - gaan samen met hun moeder Grietje het bedrijf voortzetten nadat ze vanuit Drachten naar Heerenveen zijn verhuisd. Als Wytze in 1929 overlijdt en Lammert naar Terband gaat, koopt de gemeente Heerenveen het bedrijf en komt de boerderij in huur bij Dirk Johannes van der Laan, die er woont van 12 mei 1930 tot zijn vertrek op 17 maart 1947 naar de U.S.A. (California). Sake Heida krijgt daarna nog de kans het bedrijf te huren van de gemeente Heerenveen voor de periode 29 april 1948 tot 14 juni 1971. De Bouwvereniging Heerenveen Schoterland ontwikkelt in de jaren zestig - ongetwijfeld in samenwerking met de gemeente - plannen voor de bezittingen. Op 5 januari 1972 laat gemeentewerken op de woningkaart noteren: afgebroken ! De Bouwvereniging doet wat van haar wordt verwacht: huizen-en flatbouw aan de lusvormige ontsluitingsstraat ‘Wederik’. Ook de ‘Drie Gebroeders’ verschijnen op de percelen grenzend aan de Oude Veenscheiding.

Met de afsluitende prentbriefkaart van de Engelenvaart, ... pardon de Veenscheiding, krijgen we nog even een indruk van het uitzicht van de bewoners naar het westen. Deze kaart gebruikt Dick Bunskoeke op 27 september 1989 in de Koerier in de rubriek Ut it Feanster Printeboek. “Juf Hergarden” stuurt het in 1929 naar “Andreas” (Tjaarda) en schrijft haar laatste wensen op de rand van de afbeelding. Prominent in het midden - staat de bij bouwvergunning 811 opgerichte vellebloterij, die door slager en huidenkoopman Klaas Vrij was aangevraagd voor het perceel A-2049 aan de Veenscheiding. De verstrekte bouwvergunning blijkt van 23 november 1916. De milieu-eisen zijn voor de vervuilende locaties aan de Molenwijk flink opgeschroefd, zodat Klaas Vrij wel moest uitwijken. Overigens ook voor deze locatie aan de Veenscheiding geldt zijn eerste hinderwetvergunning ‘slechts’ voor één jaar. In volgende jaren wordt die toestemming wel weer verlengd. De afstand van de vellenbloterij - eigenlijk dus vellenploterij, waarbij veel water werd gebruikt om de (schapen)vellen van ongerechtigheden te reinigen - tot de boerderij is slechts ruim 100 meter.

 

Wanneer we de mededeling van molenkenner Bunskoeke over de sloop van de poldermolen ‘De Vooruitgang’ serieus nemen - en dat doen we -, dan zullen we onze eerste veronderstelling over de ouderdom van de FFG-foto moeten bijstellen tot ‘vóór 1934’. De aanleg van de eerste straten Wederik en Valeriaan in 1970 maakt dat boerderij en bloterij worden afgebroken en vervangen.

2014, februari 23 - wibbo westerdijk - hip-backup - met dank aan aangever Ys W. Sevensma