HIP-TIME MAGAZINE 114   

 PASTORIELAAN c. 1926 

Zeer ongebruikelijk zijn de verhoudingen van deze prentbriefkaart: 7 cm. hoog en 17 cm. breed. Een uitgave van ‘Bromc grafia, Amst.’ Het opschrift is onmiskenbaar ‘Heerenveen. Pastorielaan.’ Het is een exemplaar uit de collectie van het Heerenveen Museum, maar het is ook vertegenwoordigd in de collectie Leenes nr. 1021. Helaas geen enkel gestempeld exemplaar ! De situatie ziet er wel erg strak en nieuw uit. Een voorbeeldig geplaveid wegdek van waalse klinkerts en vier meter breed, een magnifiek trottoir aan de kant van de huizen, die met de frontgevel naar het oosten staan en de royale Pastoriewijk, welke weg én berm scheidt van de uitgestrekte weilanden. De vernieuwde Pastorielaan loopt kaarsrecht ongeveer 350 meter tussen de bomenlaan door in de richting van het arm-en verplegingshuis, waarvan we de contouren achter de persoon op het trottoir kunnen zien. In de rechteronderhoek van het beeld zien we een gedeelte van het sluishoofd, waarin de meest noordelijke sluisdeur is opgehangen. We zijn al wat later op de dag want we zien de schaduwen van een praktisch westelijke zon. We kunnen ons vergissen, maar het heeft er alle schijn van dat de boompjes in het trottoir van zeer jonge datum zijn.

Uit de krant hebben we geen aanwijzing kunnen vinden wanneer die smetteloze bestrating tot stand is gekomen. Wel echter uit het archief van de ‘Pastorie van Aengwirden’, nr. 1336. In het bestek en voorwaarden van het bestraten van een gedeelte van de Pastorielaan te Heerenveen van 26 oktober 1924 staat het werk omschreven als volgt: “het afgraven en vervoeren van de aanwezige verharding, het inbrengen van de nodige riolering, het leggen van een bestrating met trottoir, het aanwerken van het gedeelte gelegen naast de sluis en het afwerken van de berm van een gedeelte der Pastorielaan te Heerenveen”.  Een tweede stuk zet ons ook op het spoor van een nauwkeuriger datering. Uit hetzelfde archief biedt nr. 1346 een inschrijvingsbiljet van Jacob A. Stuiver van 28 mei 1924 voor het dempen van een gedeelte van de bermsloot langs de Pastorielaan (en dat is dan de westelijke kant, want anders zou er hebben gestaan ‘berm van de wijk’) schrijft deze: “Zoo als het plan nu voorlopig bestaat, dat de sluis in de Pastorielaan dicht komt den 9 juni, zoo als opzichter Zwarts heeft meegedeeld, dan zou het zand moeten worden overgekruit....”.

En omdat het eerste (linkse) huis op de foto het door S.D. le Fébre in 1926 aanbestede huis is, dan is de conclusie dat deze foto van 1926 of kort daarna moet zijn.

De discussie over het plaatsen van lantaarns aan de Pastorielaan door het gemeentebestuur van Aengwirden dateert al van oudere datum. In 1912 namelijk heeft de raad besloten dat het zelfs aan een straat, welke particulier bezit is van de Pastorij van Aengwirden zinvol kan zijn van gemeentewege straatlantaarns te plaatsen. Bovendien zitten de bestuurderen dan nog wel een beetje met een ongemakkelijk gevoel over het verdrinkingsongeval in september 1908 van het jonge meisje Rika Broekman, welke na een ziekenbezoek in het verplegingshuis bij duisternis in het koude water van de Pastoriewijk geraakt en dat niet heeft overleefd.

De lantaarn op onze foto is prima zichtbaar boven het hoofd van de tegen een boom steun zoekende fietser in een wit jasje. Overigens is het strak geplaveide wegdek ook onderwerp geweest van de gemeenteraadsbesprekingen. De voorloper hiervan is een particuliere ‘boerenreed’, maar door de inspanningen en de invloed van de ziekenhuisregenten is het sterk verbeterd. Zij kwamen op voor het lot van de patiënten die met de koets naar de verplegingsinrichting moesten worden gebracht.

Voor we ons richten op de bebouwing willen we nog even de aandacht vestigen op het reclamebord van “(..)CTORIA”  aan de zijmuur van het blokje van vijf huizen. Jan Zwerver vertelt in zijn fotoboekje “Heerenveen, zo was het” op de allerlaatste pagina, dat het bord reclame maakte voor “Victoria Verzekeringen”. De eerste bewoner van Pastorielaan 11 - de heer J. Porte - blijkt inspecteur van de levensverzekeringsmaatschappij ‘Victoriabank’. Deze is voortgekomen uit een Amsterdams Verzekeringsfonds en voert sinds 1896 deze naam. In 1925 wordt de naam uitgebreid tot de ‘NV Algemeene Verzekering Maatschappij Victoria’, terwijl in 1938 alle aandelen van Victoria in het bezit van het verzekeringsconcern De Nederlanden van 1845 komen. Inspecteur Porte verhuist in 1935 naar Zwolle (volgens Jan Zwerver) en oud-brigadier-titulair bij de Rijksveldwacht L.J.J. Verplanke betrekt vervolgens het huis. Dankzij een advertentie in het Nieuwsblad van Friesland van 29 april 1935, waarin de heer Porte de burgerwoning per 1 juni te huur zet, weten we dat de begane grond een ‘kamer en suite’, ruime gang, keuken, kelder en bergplaats bevat. Boven zijn er drie slaapkamers en een kantoortje. Tenslotte een flinke tuin met vruchtbomen.

Richten we ons nu verder op de overige bebouwing, dan dienen we in de bouwvergunningen te duiken. Huizen met platte daken zijn in Heerenveen in de jaren na 1900 geen alledaags verschijnsel. Voor het kadastrale perceel Tjalleberd A-6802 worden door de heren J. Porte, A. Nauta, F. Zandbergen en K. Beck vergunning gevraagd en verkregen op 21 mei 1924 voor de bouw van vier woningen. M. Hoogeveen sluit zich daar bij aan met een vergunning gedateerd 10 juli 1924. Namens Hoogeveen regelt de heer K. Beck de vergunningsaanvraag en het blijkt uit de nieuwe tekening, dat Hoogeveen het vierde huis van het zuiden gaat krijgen, terwijl Beck de meest noordelijk eindwoning blijft claimen. Na de voltooiing blijken deze eigenaren de destijds - ook nog in 1927 - gebruikelijke doorgaande nummering te hebben gekregen aan de Pastoriesingel of Pastorielaan (van zuid naar noord): Porte 366, Nauta 367, Zandbergen 368, Hoogeveen 369, Beck 369 a.

We moeten aannemen, dat het in het adresboek van 1922 aangewezen nummer Pastoriedwars-straat 365 - als woonplaats van de heer S.D. le Fèbre, leraar aan de Rijksdagnormaalschool (onderwijzersopleiding) te Heerenveen - onderdeel uitmaakte van de door de Bouwvereniging Aengwirden gebouwde 11 dubbele woningen.  Deze veronderstelling is gebaseerd op het gegeven, dat 9 dubbele woningen van het type A in deze zijstraat van de Pastoriesingel of Pastorielaan zijn gebouwd en twee dubbele woningen van het type B aan weerszijden van de zuidoostelijke en noordoostelijke hoek met de Pastorielaan tot stand zijn gekomen in 1917 en 1918.

Dat nummer ‘365’ is toegekend in 1920, terwijl het daarvoor in de periode na de bouw het huisnummer 247 heeft gehad. Deze zienswijze is in overeenstemming met de ook toegekende nummers 226 tot en met 246 voor alle zuidelijke en noordelijke dubbele woningen, behorende tot de Pastoriedwarsstraat.

De eerste bevestiging vinden we in het Bevolkingsregister van Aengwirden (deel II: Heerenveen) uit de periode 1890-1920. Daarin staat Simon Dirk le Fèbre op het huisnummer 247 per 21 februari 1918, komend van de Nieuwburen, waar hij vanaf 5 juni 1916 heeft gewoond. De gezinskaart (1920-1939) kan ons nu verder helpen.  Daar namelijk staat als eerste adres: Luinjeberd 365a. Dat is het door hem gebouwde huis ten noorden van de door hem bewoonde type A-woning van de Bouwvereniging Aengwirden. Bij de vernummeringsronde van 1930 krijgt het dan als adres: Pastorielaan 10.

Met een advertentie in het Nieuwsblad van Friesland van 12 januari 1926 kondigt de heer S.D. le Fèbre een aanbesteding aan - behoudens goedkeuring van B. en W. van Aengwirden - voor het bouwen van een ‘Burgerwoning’ aan de Pastoriesingel te Heerenveen. De gemeente heeft er een maandje over nagedacht, heeft wat problemen met het platte dak en de oversteek daarvan, maar ook met de ramenverdeling van de bovenverdieping. Als bouwmeester heeft hij de hulp ingeroepen van J. Moet, opzichter te Oosterwolde. Gemeenteopzichter K.R. Post van Aengwirden is de gemeentelijke woordvoerder. Na een gedegen verweerschrift en kleine aanpassingen wordt op 19 februari daaropvolgend  toestemming verleend bij vergunning nr. 763. Enkele data van het nieuwe huis: terrein ± 1000 m2; grondoppervlak huis 104 m2; muren van waalsteen; bouwprijs fl.6000.-.

Simon Dirk le Fèbre is geboren op 5 maart 1882 in Bolsward, waar zijn vader Fedde le Fèbre onderwijzer is geweest. Zelf wordt hij ook opgeleid in dat vak. Als hij zijn benoeming tot hoofd der school te Boornbergum aanvaardt, blijkt hij als onderwijzer te Hoornsterzwaag van de gemeente Schoterland een eervol ontslag per 1 maart 1904 te ontvangen. Hij heeft daar als onderwijzer de hoofden Heiner en de Vries bijgestaan. In zijn Boornbergumer periode krijgt hij de kans - waarom is nog niet opgehelderd - een reis te maken naar Nederlandsche Indië.

Volgens het Algemeen Handelsblad scheept hij zich op 10 februari 1906 in als passagier te Genua op het s.s. Koning Willem III voor de reis naar Batavia, waar hij op 21 maart overstapt op het s.s. De Carpentier naar Soerabaja. Van de reis naar en het verblijf in Oost-Indië zal hij een aantal dagboeken bijhouden, waarvan twee exemplaren - over 1906/1907 en 1908 - zijn gearchiveerd in het Heerenveen Museum. Na zijn terugkeer blijkt hij ook artikelen te hebben geschreven over zijn ervaringen daar. Zo noemt het Nieuws van den Dag van 17 januari 1910 b.v. “Boon’s Geïllustreerd Magazine” met een bijdrage van S.D. le Fèbre: “Midden-Java”. De Leeuwarder Courant van 24 mei 1910 bericht, dat Mork’s Magazijn in zijn 5e aflevering ruimte heeft geboden aan een bijdrage “De installatie van den nieuwen Regent” met tekeningen en foto’s van de schrijver.  Ook redacteur Waling Dijkstra van ‘it Fryske tydskrift Sljucht en Rjucht’ heeft le Fèbre uitgenodigd om met ingang van het nummer van 3 december 1910 te publiceren. Het artikel heet: “In reiske troch midden-Java”. In zeven afleveringen vertelt hij boeiend over zijn ervaringen aldaar.

Een Chinese feestdag beschrijft en illustreert hij in zijn eerste dagboek met een tekening van een ‘drakendans’.

Later lezen we in zijn necrologie in het Nieuwsblad van Friesland van 11 juni 1931 (maar ook in  zijn dagboek), dat de reden voor de reis naar Nederlandsch Oost-Indië zijn onderwijzerschap is geweest. Op medisch advies (nierkwaal) is hij eind december 1908 naar Nederland teruggekeerd en heeft hij zich opnieuw in Boornbergum gevestigd.

Op 18 april 1913 trouwt hij met Sibbeltje Leistra, dochter van een bakker uit St. Johannesga, en op 30 januari 1914 wordt zijn zoon Hedzer (in 1931 is zijn roepnaam overigens Henk) geboren.

In 1916 wordt aan Heerenveen het voorrecht verleend per 1 mei als eerste Friese plaats een Rijksdagnormaalschool te openen. Werden voorheen onderwijzers en onderwijzeressen opgeleid in de avonduren en op de zaterdagmiddagen, nu kunnen kwekelingen zich inschrijven voor dag-onderwijs en zullen ze 111 uren per week in vier klassen worden voorbereid op hun toekomstige onderwijsbaan. Behalve in de vakken, vereist voor de examens ter verkrijging van de akten van bekwaamheid als onderwijzer(es), voor de nuttige handwerken en de ‘vrije en orde-oefeningen’, zal les worden gegeven in Frans, Engels, Wiskunde, Algemeene geschiedenis, Gymnastiek en Gezondheidsleer. Simon Dirk le Fèbre wordt naast directeur J. Dijkstra Wzn één van de kernleerkrachten. Volgens het adresboek van 1922 is zijn opdracht: Algemene en Vaderlandsche Geschiedenis, Schrijven, Zang en Tekenen. Verder verbinden er zich nog tien leerkrachten aan de opleiding, meestal met een deeltaak in een bepaald vak.

In de loop der jaren heeft hij zich ook weten te ontwikkelen als een autoriteit op het gebied van de pluimveeteelt. Diverse berichten in de kranten getuigen daarvan. Onder andere treedt hij op als jurylid en zelfs het secretariaat van de V.P.N. (Vereniging tot bevordering van de Pluimveehouderij in Nederland) heeft hij waargenomen. Nadat hij zich in 1916 permanent in Heerenveen heeft gevestigd, zet hij ook zijn werklust in als secretaris van de ‘Commissie voor Heerenveen-één’ en voor de loge der Vrijmetselaars. Verder neemt hij duidelijk stelling voor de gelijkberechtiging van het openbaar en het bijzonder onderwijs in de tijd, dat de bijzondere kweekscholen door de overheid prioriteit is toegekend. Dat blijkt uit een artikel in het Nieuwsblad van Friesland van 4 april 1924, waarin sprake is van de opheffing van opleidingsscholen voor onderwijzers.

Stukjesschrijver Fré Joustra (1891) heeft hem gekend en rept in zijn anekdotische verhalenbundel “Uit mijn schetsboek” (1980) van de grote tuin met door de jeugd geliefde perenbomen. Een portretje van de man lijkt me gepast (een detail uit een klassefoto van de Rijksdagnormaalschool van omstreeks 1920).

Na het overlijden van le Fèbre wordt zijn weduwe onder curatele gesteld den 27 Juli 1931 (veranderingen opgeven a.d. officier van justitie). Zij verhuist per  2 december 1932 naar de Korteweg 28 in Heerenveen (SCO). Zoon Hedzer - inmiddels 18 jaar - vestigt zich in Groningen.

Sijtze Huizinga, bedrijfsleider bij N.V. Woltman’s Fabriek van en Handel in Bouwmaterialen en Hout, betrekt het huis Pastorielaan 10 per 11 jan. 1932, komend van Gorredijk, Opsterland.

Hij woont er ook nog met zijn gezin in 1938 (volgens het adresboek), maar dan als adjunct-directeur van dezelfde N.V.  Een bericht van de Kamer van Koophandel in het Nieuwsblad van Friesland van 6 september 1939 meldt zelfs zijn benoeming tot directeur. Minder dan een jaar later verhuist Sijtze Huizinga naar een huurhuis op de Fok. Op no. 6a huurt Huizinga vanaf 26 mei 1940 van koopman Abel Wisman.

Aanzienlijk korter zullen we zijn over de bewoning van het ‘blok van vijf’ ten noorden. We hebben U in eerdere instantie al voorgesteld aan de personen, die de vergunning voor de bouw hebben aangevraagd in 1924 en bovendien hun betrokkenheid met de woning in 1927 (adresboek).

In het Adresboek 1928 (zie Tresoar) is er nog geen sprake van veranderingen. Twee grote veranderingen kunnen we constateren in het adresboek van 1934.  M. Hoogeveen is verhuisd naar de Pastoriedwarsstraat nr. 21 en wordt vervangen door J. Dassen, wiens functie “assistent Directe Belastingen” waarschijnlijk zijn chef M. Hoogeveen “commies Directe Belastingen” heeft doen besluiten het huis beschikbaar te stellen. De belangrijkste wijziging zit ‘m in de hernummering van de hoge, doorlopende nummers naar straatgebonden lage huisnummers. Nr. 366 blijkt nu Pastorielaan 11; nr. 367: Pastorielaan 12; nr. 368: Pastorielaan 13; nr. 369: Pastorielaan 14 en

nr. 369a: Pastorielaan 15.

Vier jaar later in 1938 geeft het adresboek voor nr. 11 als bewoner: H. Bosga, procuratiehouder; voor nr. 12: de wed. J. Sijtsma-Mink, zonder beroep, en - vermoedelijk - haar kinderen G. Sijtsma, onderwijzer, en J. Sijtsma, kantoorbediende; voor nr. 13: E. van Zandbergen, brievenbesteller, met inwonend J. Loopstra, klerk van het kadaster; voor nr. 14: J. Dassen, assistent Directe Belastingen, en voor nr. 15 nog steeds de bouwkundig opzichter K. Beck.

Het volgende drietal huizen, dat op onze foto staat, zijn alle drie gebouwd dankzij vergunning uit 1926. P. Bles is de uitzondering met een vergunning van 19 maart 1925 en het huisnummer 369b.  Sierd Minkes krijgt zijn vergunning op 10 maart 1926; is zo onfortuinlijk te overlijden op 18 november van dat jaar op 75 jarige leeftijd en zijn weduwe krijgt huisnummer 369c. H.J. de Vries is beurtschipper en mag vanaf 14 april 1926 gaan bouwen en krijgt nr. 369d.

Ook deze families blijken in 1934 het straatnaamgebonden nummer te hebben zonder lettertoevoeging: Bles nr. 16; wed. Minkes-Hof nr. 17 en de Vries, nr. 18.

De wijziging in 1938 is opnieuw te wijten aan het overlijden van een bewoner. Deze keer is het Pieter Bles, die op 12 september 1935 in Zwolle op 77 jarige leeftijd zijn echtgenote Jantje ten Boom tot weduwe maakt. De weduwe Antje Minkes-Hof en de Vries als buren kunnen haar gelukkig tot steun zijn.

Maken we de sprong naar het adresboek van 1949, dan wordt Pastorielaan 10 bewoond door A.J. Nijdam; nr. 11 door H. Bosga; nr. 12 door S. Kuiken; nr. 13 door E. van Zandbergen; nr. 14 door M. Hoogeveen (opnieuw dus!); 15 door K.Beck; nr. 16 door mej. Sj. Bles; nr. 17 door S. Minkes en nr. 18 door H.J. de Vries. Vijf jaar later in 1954 opnieuw enkele veranderingen. Op nr. 10 M.J. Engelman; nr. 11 H. Bosga (een blijvertje); nr. 12 E. Bosga (broer van nr. 11); nr. 13 F. Ensing; nr. 14 M. Hoogeveen; nr. 15 K. Beck; nr. 16 wed. P. Boermans-Slager; nr. 17 wed. G. Minkes-Krikke; en nr. 18 H. de Lange.

Op 27 december 1956 besluit de gemeenteraad van Heerenveen het stuk Pastorielaan, wat parallel loopt met de rijksweg (waar de nieuw aangelegde Zonnebloemstraat zich met een flauwe bocht bijvoegt) eveneens ‘Zonnebloemstraat’ te noemen. Het laatste stukje, waar de houten ‘Oostenrijkse woningen’ - nr. 57 en 59  - staan, houdt de naam Pastorielaan tot aan de Van Beyma thoe Kingmaweg. Bovendien wordt besloten ook de huisnummering te moderniseren, zo ... dat de westelijke kant van de Zonnebloemstraat de oneven huisnummers krijgt en de oostelijke/noordelijke kant de even nummers. Die omnummering van de door ons beschreven woningen ziet er dan als volgt uit: Pastorielaan 10 wordt Zonnebloemstraat 13 (J.H.H. Kramer); 11 wordt 15 (H. Bosga); 12 wordt 17 (E. Bosga); 13 wordt 19 (D. Rentenaar); 14 wordt 21 (M. Hoogeveen); 15 wordt 23 (K. Beck); 16 wordt 25 (R. en G. Bles); 17 wordt 27 (wed. G. Minkes-Krikke) en 18 wordt 29 (J. van der Tempel).

Is uw nieuwsgierigheid inmiddels zo groot, dat U ook de adresboeken van 1964 en 1966 door wilt spitten op wijzigingen, dan kunt U zowel terecht op de studiezaal van het Gemeentearchief in Crackstate (kamer 12) op donderdagen als in de bibliotheek van het Heerenveen Museum tijdens de openingstijden (na afspraak).

 

2015, augustus 23 - wibbo westerdijk - hip-backup